Darwin en het geneticadrama

0
1057

DARWIN EN HET GENETICADRAMA

Charles Darwin – een geroemd en tegelijk verguisd man. We kunnen er onmogelijk omheen dat hij een aantal bijzondere ontdekkingen heeft gedaan die de wetenschap verder geholpen hebben. Aan de andere kant is het goed kritisch te onderzoeken waar zijn ontdekkingen stopten, en waar zijn veronderstellingen begonnen. Om de evolutietheorie, en dan met name de fundamenten onder de theorie, goed te kunnen begrijpen moeten we terug naar 1859 – het moment dat Darwin zijn theorie publiceerde. In basis is het simpel: Darwin ontdekte dat soorten variëren en zich aanpassen. Maar de aannames die hij op basis daarvan deed, zijn verregaand. De vraag die je daarom in je achterhoofd moet houden is deze: wat ondekte Darwin, en wat veronderstelde hij?

Wat Darwin ontdekte 

We schrijven het jaar 1859 – het moment dat Darwin zijn On the Origin of species by means of natural selection uitbracht. In de tijd dat Darwin leefde wist men nog niets van genetica en niets van hoe soorten zich aanpassen, omdat Gregor Mendel, de grondlegger van de genetica, pas later in bekendheid kwam. Men wist praktisch niets van hoe soorten zich aanpasten. Men wist uberhaupt niet dat soorten zich via bepaalde mechanismen aanpasten.

Darwin was degene die ontdekte dat er variatie voortkwam binnen diersoorten.
Darwin ontdekte hoe er verschillende vinkensoorten waren binnen het grondtype ‘vink’ , ontstaan door het mechanisme van natuurlijke selectie. Op ieder eiland van de Galapagos Eilanden leefden vinken die er iets anders uitzagen. Geleerden noemen dit variatieproces ook wel micro-evolutie (variatie binnen het grondtype). Binnen de vastomlijnde grondsoorten oftewel de genus (bijv. de vink, de leeuw, de hond) treden door mutatie, isolatie, degeneratie en recombinatie van genen kleine verschillen op. Wat je goed moet onthouden, is dat variatie binnen het grondtype enkel en alleen komt door aanpassing of recombinatie van de al bestaande genen.

Met Darwin’s ontdekking is bijna niemand het oneens. Ook ik niet. Zelfs de grootste critici en de meest bevlogen creationisten erkennen de realiteit van natuurlijke selectie, de variatie binnen soorten en van micro-evolutie. Echter, Darwin noemde dat wat hij ontdekte onder de vinkensoorten ‘evolutie’ – een misleidende term aangezien ze een opgaande ontwikkeling suggereert. En die opgaande, steeds beter wordende ontwikkeling is er niet, want micro-evolutie oftewel variatie binnen de grondsoort is gebaseerd op erfelijk verval (degeneratie). Wat Darwin dus evolutie noemde, was in realiteit variatie door erfelijk verval – het precieze tegenovergestelde. Dit zullen we zo meteen dieper onderzoeken.

Er is een zeer belangrijke regel in de geneticaleer: moedersoorten zijn rijker aan genen dan hun dochtervarianten. Neem bijvoorbeeld de hond . Evolutionisten noemden in de geschiedenis de verschillende hondensoorten zoals tekkels en Sint-Bernards een voorbeeld van evolutie, omdat zij ontstaan zijn vanuit de wolf. In realiteit zijn honden hét voorbeeld van erfelijk verlies . Een tekkel heeft aanzienlijk minder genetische informatie dan de wolf! Hij is kleiner, gedegenereerd en kent een groot scala aan gebreken en lichamelijke zwaktes. Er is duidelijk genetisch verval opgetreden van generatie tot generatie. Het zou pas werkelijk evolutie zijn, als uit een tekkel een wolf zou ontstaan! Wat Darwin dus in basis ontdekte was genetische variatie en micro-evolutie (door genetisch verval). Geen opgaande ontwikkeling.

FEIT: De genetica van Gregor Mendel toonde aan dat moedersoorten altijd genetisch rijker zijn dan hun dochtervarianten. Wanneer een soort anders is dan zijn voorouders, komt dat altijd door een vorm van genetische verarming, bijvoorbeeld isolatie van slechts bepaalde genetische kenmerken van moedersoort, of degeneratie of genetische aantasting van de genen van de moedersoort.

Biologen kennen het principe van stamvader-effect of founder-effect. Dit betekent dat slechts een paar individuen van een grote populatie zich isoleren en een nieuwe populatie vormen, waardoor de oorspronkelijke erfelijke rijkdom van de moederpopulatie verloren gaat. De nieuwe ‘subgroep’ die geïsoleerd raakt krijgt dan een andere genetische combinatie dan de hoofdgroep, met in feite minder informatie. Ze krijgen geen nieuwe genen, maar een nieuwe combinatie van de bestaande genen en daardoor een afwijkend uiterlijk. Om kort te gaan is de werking als volgt: als een kleine groep organismen zich isoleert van de groep, krijgt het hele nageslacht dezelfde genen mee als de ‘stamvader’. Het stamvader-effect werkt het sterkst als er ook nog inteelt heeft plaatsgevonden (want dan krijgen de nakomelingen dezelfde genen van beide ouders). Stamvader-effect is een heel begrijpelijk systeem; er komt namelijk door de isolatie geen vermenging meer voor met andere organismen of groepen en dus ook niet met andere DNA-kenmerken. Hebben eerste individuen uit zo’n geïsoleerde stam bepaalde opvallende kenmerken, dan zal het nageslacht dat ook al vanaf de eerste generatie hebben. Hebben de eerste individuen uit zo’n groep door een erfelijke fout (mutatie) een rare afwijking, dan hebben de nakomelingen die ook. Bovendien is de kans dat recessieve (verborgen) kenmerken in het DNA van de moedergroep tot uiting komen als zich een kleine populatie afsplitst zeer groot. Anderzijds is het zo dat wanneer een groep niet geïsoleerd raakt in kleine gescheiden groepjes maar zeer groot blijft, uiterlijke kenmerken zich nauwelijks in het geslacht zullen verankeren. Extremen in het uiterlijk zullen dan bijna niet voorkomen.

Het stamvader-effect is een van de meest voorkomende mechanismen van natuurlijke selectie. Overal op aarde zie je dat diersoorten die een grote populatie vormen in een groot gebied redelijk weinig verschillen in uiterlijk kennen. Diersoorten die gescheiden zijn van de rest op bijvoorbeeld een eiland, wijken vaker iets af van de moedergroep omdat hun genencombinatie is verankerd en er geen genetische input meer komt uit de moedergroep.

Hetzelfde gold voor de vinkensoorten die Darwin ontdekte: door vinken op verschillende eilanden van elkaar te isoleren in kleine groepjes, zullen de verschillende populaties er iets anders uitzien (stamvader-effect, dus). Echter, de variërende populaties hebben minder erfelijke informatie ten opzichte van de oorspronkelijke groep . Ze representeren allemaal een stukje van de originele genenpoel. Bovendien zijn het allemaal nog steeds vinken: hun genen zijn wat door elkaar gegooid en door stamvader-effect zijn recessieve (verborgen) kenmerken tot uiting gekomen die in de moedergroep niet tot uiting kwamen, maar het zijn en blijven kenmerken die al in de genen van de grondsoort vink opgeslagen waren. Er ontstaat nooit zomaar nieuwe informatie in de natuur!

DE FEITEN: Micro-evolutie is variatie die altijd ontstaat door een aanpassing of aantasting van het reeds bestaande erfelijke materiaal. Daarom vindt de variatie ook altijd plaats binnen de grenzen van de grondsoort (genus). De aangepaste populatie is bovendien altijd genetisch armer dan de moedersoort.

1.2 Gregor Mendel vs. Charles Darwin

Maar Darwin kon nog niets weten van genen of erfelijkheid. Op basis van wat hij ontdekte (variatie binnen de grondtypes), veronderstelde hij dat door middel van natuurlijke selectie de ene grondsoort kan veranderen in een andere grondsoort. Hij koppelde de verschillende dieren op aarde in een opvolgende reeks en veronderstelde dat zij uit elkaar voortkwamen en dat de aardlagen vele tussenmodellen zouden herbergen. Echter, deze veronderstelling is tot op vandaag niet bewezen en wordt niet ondersteund door welke vondst op aarde dan ook.

In 1865, vijf jaar nadat Darwin zijn theorie publiceerde, introduceerde de monnik Gregor Mendel zijn geneticaleer. Deze leer werd niet makkelijk door Darwin en de zijnen geaccepteerd. Dat was wel begrijpelijk. Mendel toonde aan dat overerving volgens een vast, voorspelbaar patroon liep. Nieuwe eigenschappen kwamen in feite nooit voor, en een organisme kon alleen die eigenschappen tot uiting brengen die hij van zijn vader en moeder ontvangen had. Weliswaar kwamen door kruising soms recessieve (verborgen) kenmerken naar boven, maar die waren al aanwezig in de genetische samenstelling van de ouders. Een organisme kan dus wel een nieuwe combinatie van dezelfde genen krijgen (als een kleine groep zich afsplitst), maar nooit nieuwe genen. Wat er niet in zit, komt er ook niet uit. En dat terwijl Darwin het voor zijn theorie nodig had dat er nieuwe eigenschappen konden ontstaan, zoals ogen of vleugels. Anders kon nooit vanuit een eencellig micro-organisme (met weinig genetische informatie) het enorme scala aan organismen ontstaan dat wij nu kennen (met zeer veel genetische informatie!) Darwin zei dat soorten evolueerden, Mendel toonde aan dat er grenzen waren tussen de soorten. Wie had nu gelijk? Het antwoord op het dilemma is simpel: Darwin had zijn theorie moeten aanpassen op Mendel’s ondervindingen. Er is variatie, maar nóóit buiten de grenzen van de grondsoort. Ieder individu op aarde is een combinatie van het DNA van vader en moeder.

DE FEITEN: Gregor Mendel toonde aan dat overerving volgens een vast, voorspelbaar patroon liep. Nieuwe eigenschappen kwamen nooit voor, en een organisme kon alleen die eigenschappen tot uiting brengen die hij van zijn vader en moeder ontvangen had. Een organisme kan wel een nieuwe combinatie van dezelfde genen krijgen en daardoor een iets afwijkend uiterlijk (als een kleine groep zich afsplitst), ook kan hij ogenschijnlijk nieuwe kenmerken krijgen doordat deze bij zijn voorouders recessief (verborgen) waren, maar nooit nieuwe genen of nieuwe eigenschappen . Wat er niet in zit, komt er ook niet uit. Er is dus variatie (micro-evolutie), maar nóóit buiten de grenzen van de grondsoort (macro-evolutie). 

Vergelijk het met een letterbak waar de letters a t/m g in zitten. Deze letterbak staat voor de oorspronkelijke populatie organismen. Je kunt veel woorden van drie letters creëren met de letters uit de letterbak (zoals dag, bad, etc). Je kunt ze schudden en anders indelen, waardoor ze er anders uitzien (dga, bda). Maar je kunt er nooit woorden mee creëren die bestaan uit letters die niet in de letterbak zitten (bal, hok, tik), noch kun je er opeens cijfers uithalen. Dat zou niemand ontkennen. Om even in deze vergelijking te blijven, signaleerde Darwin de relatief grote variatie tussen de woorden (dga, bda, dag, bad) en zei op basis daarvan dat de woorden zich aanpasten door steeds nieuwe informatie te ontwikkelen! Echter, alle variaties zijn puur gebaseerd op de letters die in de bak zaten (abcdefg, de oorspronkelijke voltallige populatie!) Creationistische wetenschappers zeggen dat een de letterbak geschapen is met de mogelijkheid variatie toe te passen, maar dat de variatie altijd binnen de grenzen van de letterbak ligt. Darwin veronderstelde in feite dat er vanuit één letter (bijv. ), door mutaties een enorm complexe letterbak is ontstaan die zich constant verbetert en waar toevalsgewijs intelligente woorden uit ontstaan zijn (bijv. slagroomappeltaart, maar dan nog miljoenen keren ingewikkelder!)

Onthou dit goed: Darwin ontdekte geen (macro-)evolutie tussen grondsoorten, maar micro-evolutie (variatie) binnen de vastomlijnde grondsoorten – hij veronderstelde evolutie. En dat is tot op vandaag niet aangetoond.

Mutaties – aanpassingen en aantastingen in de genetische code

Wat Darwin niet wist, is dat de ‘nieuwe’ of ‘veranderde’ soort, altijd een stukje informatie van de voorgaande soort neemt en dus nooit nieuwe informatie kan ontwikkelen. Wat Darwin ontdekte zou geen enkele wetenschapper ontkennen, hij interpreteerde het echter precies andersom dan het is. Soorten evolueren niet in betere soorten. Soorten zijn perfect en vastomlijnd, en ze degenereren door genetisch verval in slechtere ondersoorten.

De eerste generaties na Darwin wisten te weinig van de genetica en de processen in de levende cel om hier een probleem van de maken. Echter, toen de neodarwinistische generatie in een wetenschappelijke basis voor het evolutieconcept wilde voorzien, liep men tegen dit dilemma op: soorten veranderen niet buiten hun grenzen!
Daarop zocht men naar een antwoord om toch in geleidelijke evolutie te kunnen geloven. Het antwoord was: mutaties . Aan dit woord kleven een hoop verkeerde interpretaties. Een mutatie betekent niet dat een soort opeens een nieuwe eigenschap krijgt. Een mutatie is niets anders dan een toevalsgewijze aanpassing van genen door een foutje in de deling van genen. Let goed op het woord ‘aanpassing’ ; mutaties maken er nooit genen bij en mutaties ontwikkelen nooit nieuwe informatie. 99% van alle mutaties zijn zelfs schadelijk voor het organisme (je kunt dus beter spreken over een aantasting ). Mutaties gooien op z’n hoogst de genen door de war of maken een stukje van de genen onbruikbaar. Echter, het was het enige redmiddel om in evolutie te geloven. Mutaties zijn de enige uitzondering, de enige mogelijkheid waarop diersoorten buiten de genen van hun ouders kunnen veranderen. Neodarwinisten hadden dus geen andere keus dan de beoogde evolutie te laten verlopen via mutaties.

Dr. David Rosevear zei over mutaties:

“Mutaties zijn ‘toevalsveranderingen’ in de genen en kunnen daardoor niet anders dan leiden tot verlies van informatie. Er is geen enkele positieve mutatie bekend, en de meeste mutaties zijn duidelijk een vermindering van kwaliteit.”

 

Echter, geloven in ‘heilzame’ en ‘informatie toevoegende’ mutaties is essentieel voor evolutie; ze vormen de basis van de evolutietheorie. Je hebt namelijk miljoenen toevallige informatie toevoegende mutaties nodig om een organisme een vleugel of oog te laten krijgen! Toch ontbreken mutaties die nieuwe informatie brengen volledig. Ze bestaan niet.

DE FEITEN: De geneticaleer heeft bewezen dat mutaties geen nieuwe eigenschappen kunnen creëren. Een mutatie is een toevallige aanpassing of aantasting in het DNA door foutieve deling van genen. Ze maken er nooit genen bij en ontwikkelen nooit nieuwe informatie. 99% van alle mutaties zijn schadelijk voor het organisme, 1% is neutraal omdat het geen direct schadelijke gevolgen heeft. Nog nooit heeft iemand een mutatie aangetoond die nieuwe informatie creëerde of de soort verbeterde. Toch vormt het hypothetische geloof in reeksen van miljoenen informatietoevoegende mutaties het fundament van de evolutietheorie.

Hoe ontstaan mutaties dan eigenlijk?

Eigenlijk is ons lichaam zo gebouwd dat we geen mutaties krijgen. De hele structuur van het DNA (inclusief de bijbehorende reparatie- en correctiemechamismen) is anti-mutatie-gericht . Alles is er op gericht mutaties te voorkomen. Logisch, want ze zijn schadelijk! Dat mutaties toch voorkomen is te wijten aan mutagene stoffen en/of door straling . Mutatie is geen genetisch mechanisme. Integendeel, er zijn juist veel genetische mechanismes die mutaties voorkomen of zelfs repareren . Als de leefomstandigheden op aarde zó zouden zijn dat straling en dergelijke niet voorkwamen, dan zou er praktisch geen genetisch verval zijn. De reden dat evolutionisten mutaties hebben geopperd als mechanisme voor evolutie, is omdat het de enige mogelijkheid is waardoor genen kunnen worden aangepast!

Veel mutaties gebeurden doordat er toevalsgewijs een ‘letter’ uit het genetische ‘leesraam’ wordt toegevoegd (dit noemt men inserties ), of doordat er toevalsgewijs een letter wordt weggehaald die er wel hoort te zitten (dit noemt men deleties ). Ze zorgen altijd voor een verlies aan informatie, omdat het perfect werkende systeem plotseling wordt aangepast waardoor de functionaliteit achteruit gaat. Zelfs als ze niet direct schade berokkenen, zorgen ze voor erfelijk verlies. Inserties en deleties noemt men daarom vaak loss-of-function mutaties omdat ze verschuivingen van het leesraam veroorzaken. De veranderingen die worden aangebracht zijn nutteloos en zonder functie. Dit is ook de reden waarom veel mensen ( recessieve) erfelijke ziekten en kwalen met zich meedragen – die komen door mutaties die de werking van ons perfect uitgedachte systeem in de war schoppen.

Een mutatie is meestal schadelijk, waardoor de soort zou uitsterven. Een mutatie kan echter voorkomen op zo’n manier dat de drager van een gemuteerd gen gewoon kan blijven leven, zij het met een stukje minder of aangepaste informatie. Mutaties zorgen dus wél voor variatie binnen de grondsoort, maar zullen opnieuw nooit zorgen voor macro-evolutie. Want de dochtervarianten zijn genetisch slechter dan de moedersoorten. Variatie is altijd 100% een verwarring van de aanwezige informatie.

Soms worden mutaties door geleerden bruikbaar genoemd, omdat ze ons mooi uitkomen (bijv. een druif zonder pitten). In biologische zin is dit echter geen positieve mutatie waarbij informatie ontstaat. Integendeel. Het is een verlies van informatie door verarming van het DNA – het tegenovergestelde van evolutie. De druif had pitten en is ze nu kwijt. Volgens evolutie zijn alle diersoorten ontstaan door verwarring of verschuivingen in het DNA van vroegere soorten. Echter; probeer eens van een wasmachine een computer te maken door constant één onderdeeltje of moertje te verbuigen, weg te halen of op een andere plek te zetten. Het klinkt als een domme vergelijking, maar het is een treffend voorbeeld. Want de perfecte systemen die aan boord van bijvoorbeeld een reptiel zitten zijn volkomen anders dan de perfecte systemen die aan boord zijn bij een vogel (zoals veren, die aerodynamisch ontworpen zijn en miljoenen haartjes hebben die volgens wiskundige volgorde geplaatst zijn, of het ongekend ingewikkelde vliegsysteem). Toch zeggen evolutionisten dat het systeem van vogels is voortgekomen uit toevalsgewijze aanpassingen (inserties en deleties) in de dna-codering van het reptielensysteem. Zo wordt het je misschien niet uitgelegd in de schoolboeken, maar zo is het wel. Om van een reptiel een vogel te maken (macro-evolutie dus), moeten niet alleen genen worden aangepast , maar moet de hele genetische codering worden gewist en een nieuwe geschreven. Je komt er niet met inserties en deleties, simpel zat. Hoe zou een zo perfect ontworpen oog, vleugel of long moeten ontstaan door een reeks toevalsgewijze fouten in het DNA? Die systemen werken niet eens als ze half-af zijn. (En dan hebben we het nog niet eens over het instinct om te kunnen vliegen wat moet ontstaan, of over de onherleidbare complexe techniek die nodig is om met een oog driedimensionale beelden aan de hersenen door te geven, of de gigantische verandering die het lichaam nodig heeft om met longen te ademen!) Evolutie van dit soort systemen door mutaties is absoluut onmogelijk. En hoewel alle bewijzen tot op vandaag ontbreken, pretenderen evolutionisten nog steeds dat er óók macro-evolutie moet bestaan.

FEIT: Om van bijvoorbeeld een reptiel een vogel te maken (macro-evolutie dus), moeten niet alleen genen worden aangepast (wat mutaties doen), maar moet de hele genetische codering worden gewist en een nieuwe geschreven. Je komt er niet met inserties en deleties. 

Het kost in feite een omdraaiing van denken. Darwin wilde evolutie zien. Hij zag een keversoort met vleugels die niet meer bruikbaar waren. Hij noemde dat evolutie. Maar is het evolutie? Nee, het is genetisch verval! De grondsoort kon vliegen, deze soort is zo door mutaties aangetast dat vliegen voor hem onmogelijk is! Andersóm zou pas evolutie zijn.

Had Darwin dus gelijk? Enerzijds ja, want hij ontdekte micro-evolutie en natuurlijke selectie – hele belangrijke ontdekkingen voor de wetenschap. Anderzijds nee, want de evolutie van de ene grondsoort naar de andere zoals hij veronderstelde (macro-evolutie) is een genetische onmogelijkheid en tot op vandaag volkomen onbewezen. Er zijn grondtypes geschapen en door erfelijk verlies en stamvader-effect kan er binnen die soort variatie zijn, variatie buiten de grenzen van de soort bestaat dus niet.

Als je een bak met de letters A,B,C en D hebt kun je oneindig schudden met de bak om andere combinaties te krijgen. Maar nooit zul je het woord MAGNETRON eruit krijgen. Dat is, versimpeld, het verschil tussen micro-evolutie binnen dezelfde genenpoel en hypothetische macro-evolutie.

Echter, het wordt nog erger. Variatie komt slechts in minder dan de helft van de genen van zoogdieren voor. Wat? Ja, echt! Bij zoogdieren wordt in tenminste 67% van de genen géén variatie aangetroffen (volgens Chris Colby 80%, volgens Campbell 70%). Wanneer er namelijk mutaties voorkomen in die minimaal 67% van de genen, zorgt het lichaam onmiddellijk voor een bescherming – het eiwit sterft onmiddellijk en verliest zijn totale functionaliteit, waardoor het organisme ook uitsterft, nog vóór het zijn genen kan doorgeven aan het nageslacht.
Maar liefst 67% van de genen variëren niet! Dit doet de hele mutatietheorie inzakken!

FEIT: Maar liefst 67% van de genen van zoogdieren kan niet variëren. Dat doet de mutatietheorie instorten, want dat betekent dat mutaties onmogelijk de ene soort uit de andere kunnen laten ontstaan. Mutaties hebben geen toegang tot meer van de helft van de genen van een zoogdier!

Het allersimpelste micro-organisme 

Laat de evolutietheorie eens goed tot je doordringen met wat we zojuist behandeld hebben in ons achterhoofd: moedersoorten zijn rijker aan genen dan hun dochtervarianten; er kan nooit door mutaties of door wat voor een natuurlijke processen dan ook genetische informatie bijkomen. Dat is een onomkeerbare natuurwet – intelligente informatie ontstaat niet door toeval, maar kan wel door toeval worden aangepast of omgegooid. De Wet van de Entropie (tweede wet van de thermodynamica) zegt zelfs dat systemen uit zichzelf ontaarden in chaos en verval! Toch zegt evolutionisme dat vanuit een oersoep een plotselinge chemische reactie leidde tot het ontstaan van het eerste levende (micro-)organisme. Zij die zich niet in genetica verdiept hebben zouden dit nog kunnen geloven, maar met een kleine blik in de bouw van zulke organismen wordt ons duidelijk dat dit tegen alle natuurwetten ingaat.

Het allersimpelste micro-organisme op aarde is namelijk totaal niet simpel. Dat dacht men in Darwins tijd, maar met onze huidige technieken kunnen we dit soort organismen veel beter analyseren. De allersimpelste levensvorm op aarde kent een onherleidbaar complexe structuur en een systeem dat haast niet te doorgronden is. De informatie die in zo’n micro-organisme zit opgeslagen is vergelijkbaar met duizend encyclopedieën . De complexiteit in de ‘machine’ van dit organisme is niet goed te begrijpen, laat staan door mensen te creëren, ook al zou je alle intelligentie op aarde bundelen.

Op aarde kost het verschillende intelligente wetenschappers al vele decennia een fabriek of een werkend systeem te creëren. Alle onderdelen moeten apart zijn uitgevonden in de eeuwen ervoor. En als zo’n fabriek klaar is, dan is er nog steeds geen ‘leven’ in, het is en blijft een dood ding. De werking van zo’n fabriek ontstaat doordat men hem in gang zet. Toch gelooft men dat een onherleidbaar ingewikkeld micro-organisme uit het niets is ontstaan vanuit enkele toevallige, doelloze chemische processen in de oersoep. Als wetenschappers alleen al de mogelijkheid open laten dat er een macht of intelligentie was die het systeem van leven in werking heeft gezet, worden ze al subjectief en onwetenschappelijk genoemd. De vraag is naar mijn idee wíe er nou werkelijk subjectief zijn…. Het evolutionisme zegt in feite: er was niets, maar door een toevallig samenspel van factoren waren er opeens duizend perfecte, nauwkeurige encyclopedieën. Bovendien, en dat moet je niet vergeten, moest het eerste micro-organisme tot leven komen, in leven blijven en zelfs (toevallig) een ingewikkeld mechanisme ontwikkeld hebben om zichzelf voort te planten , anders waren jij en ik er nu niet geweest. Eén foutje in het chemische proces zou al hebben gezorgd voor uitsterven.

De complexiteit van een micro-organisme is een doorn in het oog van de evolutionist. Er kan geen verklaring gegeven worden hoe dit organisme uit niets ontstaan moet zijn. Het ironische is, dat als men vandaag radiogolven uit de ruimte zou opvangen met bijvoorbeeld opeenvolgende priemgetallen, men zou veronderstellen dat er een intelligent wezen achter moet zitten – zulke informatie kan namelijk niet ontstaan zonder intelligentie. Echter, diezelfde wetenschappers beweren dat de duizend encyclopedieën die zijn opgeslagen in een micro-organisme wél toevallig zijn gecodeerd zonder dat er een intelligent wezen was die het aanstuurde!

En nu komt het meest absurde. Uit dit micro-organisme, met relatief gezien weinig genetische informatie, zijn in de loop der tijd palmbomen, mensen, rozen, spinnen, olifanten, lichtgevende zeediertjes, zebra’s, passiebloemen, stekelvarkens, appels, dolfijnen met sonartechniek, cocosnoten, herten, tijgers, kanonstorren, vogels met aerodynamisch perfecte veren, muggen, pauwen en andere organismen ontstaan met elk nog duizenden malen ingewikkeldere bouw, spijsverteringskanalen, hersenen en andere uitzonderlijk ingewikkelde technieken in zich. Hoewel dochtervarianten altijd genetisch armer zijn dan de moedersoorten, kent onze aardbol een gigantische variatie aan prachtige en doordacht ontworpen organismen die onstaan zouden zijn uit één micro-organisme!

Evolutie, zoals het op school geleerd wordt, is onmogelijk, onbewezen en absurd.
Een kort rijtje met feiten die we tot nu toe hebben ontdekt:

A: Mutaties zijn toevallige aanpassingen in de dna-codering.

B: Mutaties creëren nooit nieuwe systemen, maar verwarren enkel de bestaande systemen.

C: 99% van alle mutaties zijn schadelijk; nog nooit is er een heilzame mutatie waargenomen.

D: Evolutionisme zegt dat alle perfect ontworpen organismen op aarde zijn ontstaan door mutaties, vanuit genetisch armere organismen!

Niet voor niets zijn er steeds meer wetenschappers die dit fundament onder de evolutietheorie verwerpen.

S. Lovtrup zei zelfs in Darwinism: The refutation of a myth, blz. 422: “Micromutaties komen voor, maar de theorie dat zij alleen verantwoordelijk zijn voor evolutionaire verandering is óf gefalsificeerd, óf het is een niet-falsificeerbare, en daarom metafysische theorie. Ik veronderstel dat niemand zal ontkennen dat het bijzonder ongelukkig is als een complete tak van de wetenschap verslaafd raakt aan een foute theorie. Maar dat is wat gebeurd is in de biologie.” Misschien besteden populaire magazines en boeken er geen (of alleen negatieve) aandacht aan, maar er zijn méér wetenschappelijke stromingen. Je hebt ook de Intelligent Design beweging en de Creationistische beweging. Je kunt zelf invullen wat het meest logische is.

Evolutionisme zegt: er ontstond door toevallige chemische processen een micro-organisme van ongekende complexiteit, inclusief voortplantingsmechanisme, waarin meer informatie gecodeerd ligt dan in duizend encyclopedieën; dit micro-organisme (vergeleken met ons maar zeer weinig genetische informatie) ontwikkelde zich door fouten en verwarringen in de bestaande DNA-codering (mutaties) tot nog veel complexere levensvormen en uiteindelijk tot de mens.

Intelligent Design (en creationisme) zegt: door mutaties kan geen nieuwe informatie ontstaan en alle organismen op aarde en in aardlagen zijn 100% grondsoort; blijkbaar zijn er zijn ooit perfecte grondsoorten geschapen die een goed ontworpen DNA-codering hebben; door fouten en verwarringen (mutaties) is er variatie (micro-evolutie) tot stand gekomen waardoor er – binnen de grondsoorten – veel verschillen zijn. 
Aan jou de keus wat het beste op de feiten steunt.

FEIT: De allersimpelste levensvorm op aarde kent een onherleidbaar complexe structuur en een systeem dat niet te doorgronden is. De informatie die in zo’n micro-organisme zit opgeslagen is vergelijkbaar met duizend encyclopedieën. Het systeem kan half-af niet werken. En toch geloven evolutionisten dat zo’n micro-organisme door toeval is ontstaan. En dat alle leven op aarde door toevallige mutaties (fouten in de dna-codering) is ontstaan vanuit zo’n micro-organisme!

Dat variatie op aarde enkel voortkomt uit degeneratie, is al te zien aan de voortplanting van organismen. Ieder organisme erft slechts de helft van de informatie van iedere ouder. Bijvoorbeeld bij de mens. Stel dat er een mensenpaar is met één kind, waarbij de moeder bloedgroep AB heeft (dat betekent dat zij zowel A als allelen heeft), en de vader bloedgroep O (beide allelen zijn O en recessief). Dat betekent dat het kind óf AO óf BO allelen zijn hebben – dus óf bloedgroep A, óf bloedgroep B zal missen in de genen van het kind. Gaat het geslacht verder met twee van zulke mensen, dan raakt de oorspronkelijke genetische informatie (van de moedergroep) kwijt. Zo werkt het in principe met alle genetische eigenschappen – er is genetische verlies, en alle variatie is terug te voeren op genetisch verlies.

Maar nu even terug naar het grote verschil tussen variatie binnen soorten en macro-evolutie . Eén van de grootste misverstanden in de biologie is de gedachte dat micro-evolutie een soort ‘kleinere’ versie is van macro-evolutie. Micro-evolutie is iets volkomen anders dan macro-evolutie. De eerste komt veelvuldig voor en is gebaseerd op aantasting/verval/recombinatie van bestaande genen. De tweede vereist het creëren van nieuwe genetische informatie, en is nog nooit gesignaleerd.
Veel evolutionisten stellen (of denken echt) dat creationisten de variatie tussen soorten ontkennen. Dat is echter niet zo. Variatie en micro-evolutie zijn een feit. Creationisten geloven echter dat schepping van grondsoorten de meest logische verklaring is als je organismen en fossielen bestudeert, omdat alle variatie die we ooit gesignaleerd hebben plaatsvind binnen de grondsoorten en komt door stamvader-effect en degeneratie. Evolutionisten geloven dat de soorten toevalsgewijs door mutaties beter worden en nieuwe informatie creëren en zo ook langzaam nieuwe soorten worden Zoals we nu gezien hebben is dat niet mogelijk. Maar omdat er achter de evolutionistische beweging een enorme propaganda zit en je zelfs geen wetenschapper kunt zijn zonder doordrongen te worden van evolutionistisch gedachtegoed, is de zienswijze van Darwin tegenwoordig nog intens populair.



Afbeelding: Alle dieren op aarde zijn in te delen in een vaste grondsoort met onoverkomelijke grenzen (zoals bijvoorbeeld hondachtige, katachtige, mens, roos, meeuw, etc).Variatie in uiterlijk komt alleen voor binnen de grenzen van het DNA van de grondsoort (bijv.: hond, wolf, vos, coyote, tekkel, etc). Er bestaan geen schakels tussen de grondsoorten. En dit geldt ook voor de aardlagen – alles daarin is in te delen in dezelfde grondsoorten als we op aarde zien, en van schakels ontbreekt ook daar ieder spoor (zie hoofdstuk 2). Alle variatie komt voort uit micro-evolutie; binnen de vastomlijnde grenzen van de grondsoort is het DNA aangetast of gerecombineerd waardoor een populatie die van de moedergroep gescheiden werd er iets anders uit ging zien.

Alle voorbeelden die men aanhaalt om evolutie te bewijzen zijn in werkelijkheid bewijzen van het tegenovergestelde. De niet-vliegende aalscholver die slechts op één plaats op aarde voorkomt, is genetisch gedegenereerd. De aalscholver heeft door genetische aantasting de mogelijkheid tot vliegen verloren. Normaal zou zo’n soort uitsterven vanwege zijn achterstand op andere aalscholvers. Enkel op plaatsen waar de vliegkunst ook niet nodig bleek (zoals op de Galapagos Eilanden, waar de vogel de vis zo uit het water kan vangen), stierf de gemuteerde soort niet uit.
Dat de huidige soorten terug te voeren zijn tot een perfecte oersoort, zien we ook aan de katachtigen. De Panthera -katachtigen (zoals leeuwen en tijgers) missen een bepaald soort bot achterin de tong in vergelijking met de Felis -katachtigen (waar huiskatten toe behoren). De Acinonyx -katachtigen (waar hyena’s toe behoren) hebben dat bot wel, maar missen weer de mogelijkheid om hun klauwen in te trekken. De verschillen tussen de katten zijn duidelijk ontstaan vanuit verlies aan informatie! Door de isolatie worden genen in- en uitgesloten.
Ook P.M. Scheele haalt in zijn boek Degeneratie – het einde van de evolutietheorie aan, dat “…op het niveau van het DNA de veranderingen naar beneden gericht zijn, een verlies van informatie inhouden, of concreter: een verlies aan genen. Veel voorbeelden die gebruikt worden om aan te tonen dat er evolutie is, blijken in werkelijkheid juist voorbeelden van degeneratie te zijn! Zo drijgt de cheetah uit te sterven door pure genetische verarming en degeneratie, is de niet-vliegende aalscholver het vermogen om te vliegen kwijtgeraakt, heeft de koalabeer de genen verloren om er een gevarieerder dieet op na te houden en blijkt de eendagsvlieg het allerlaagste stadium van degeneratie bereikt te hebben: balancerend op het randje van de dood weet hij zich nog net voort te planten. Ook onder mensen is er degeneratie: elke erfelijke ziekte is veroorzaakt door een mutatie in een gen dat oorspronkelijk goed was en dat alle andere mensen ook goed hebben. Onze verre voorouders moeten genetisch ‘volmaakt’ geweest zijn, in die zin dat ze geen enkele erfelijke afwijking hadden.”

Inderdaad – evolutie gaat precies de andere kant op dan Darwin dacht. Er komt nooit informatie bij die tot nieuwe soorten leidt; er is steeds meer verlies aan informatie waardoor de ooit perfecte soorten nu steeds zwakker en armer worden! Voor alle diersoorten geldt dat er ooit een ‘oertype’ was (bijv. de oerwolf), de moeder en vader van de hele grondsoort. Uit dit perfecte model zijn in duizenden jaren, door natuurlijke selectie, recombinatie, degeneratie en stamvadereffect de genen dermate verward en aangetast dat we de vele soorten (binnen het grondtype) zien die we vandaag zien (zoals wolfen, honden, coyote’s, vossen, pekineesjes en poedels) – helaas wel vol met erfelijke zwakheden en ziekten!

Charles Darwin constateerde al dat wanneer je afgesplitste soorten duiven met elkaar kruiste, deze dan ‘terugvallen naar voorouderlijke aard’ . Ze gaan de kenmerken van een gewone houtduif vertonen, uit wie deze ontstaan zijn. Dit is precies wat we mogen verwachten. De ondersoorten (die door recombinatie zijn ontstaan) representeren allemaal een stukje van het DNA uit de oorspronkelijke genenpoel waaruit zij voortkomen. Dus als je die soorten weer samenvoegt zie je hoe de oorspronkelijke soort eruitzag! Die samengevoegde soort is genetisch sterker dan alle ondersoorten, omdat die minder genetische informatie hadden. Zo is het ook met honden; de vuilnisbakkenrassen zijn genetisch veel sterker dan de rashonden, die vaak met allemaal ras-eigen kwalen rondlopen door de degeneratie die ze hebben ondergaan!


De quagga is een uitgestorven Afrikaanse soort van de familie van de paardachtigen. De laatste quagga stierf in 1883. De quagga laat ons opnieuw zien hoe alle ondersoorten (zebra, paard, ezel) voortkomen uit één grondsoort. De quagga heeft genetische kenmerken van de zebra, maar ook van het ons bekende paard.

Voorbeelden van genetische evolutie? 

Het is goed om een aantal populaire schoolvoorbeelden te tonen die worden aangereikt als ‘voorbeeld van evolutie’. Want terwijl het scholieren wordt geleerd dat dit voorbeelden zijn van evolutie, zijn het in feite voorbeelden van genetische degeneratie. Sommigen hiervan hebben we al genoemd. Da belangrijksten zijn:

A: MOTTEN OP BOOMBASTEN 
Een populair voorbeeld zijn de grijze of zwarte motten (Biston betularia) die op boombasten leven. De populaties zouden zich aanpassen aan de kleur van de bast – donkerder in industriële gebieden en lichter in schone gebieden. Echter, wat er nooit bijverteld wordt is het feit dat de aangepaste populaties genetisch armer zijn dan de moederpopulatie motten. De oorspronkelijke mottensoort heeft dus erfelijk verval en degeneratie ondergaan (bijv. door stamvadereffect) en is daarom in zijn uiterlijk veranderd. Micro-evolutie dus, waarin de genetische informatie minder is geworden, en zeker niet meer, zoals ‘evolutie’ suggereert.
De dieren hebben zich ook niet aangepast aan de omgeving. Het proces gaat precies andersom. De motten die door de erfelijke aantasting lichter werden, overleefden beter in schone gebieden omdat zij daar minder opvielen. Hetzelfde geldt voor de donkere soorten in industriële gebieden. Het wordt in de schoolboeken echter zó gebracht dat de indruk gewekt wordt dat de mot spontaan evoluëert als hij in een andere omgeving komt.

B: KEVERS MET FUNCTIELOZE VLEUGELS 
Evolutionisten halen vaak aan dat er keversoorten zijn die vleugels hebben die ze niet meer kunnen gebruiken. ‘De soort gaat langzaam over in een andere soort’, wordt er dan gesuggereerd. In werkelijkheid had de moedersoort kever vleugels die wel bruikbaar waren, en deze soort niet. We hebben het hier dus niet over evolutie, maar over genetische verarming en aantasting. Het zou pas evolutie zijn als er uit een diersoort zonder vleugels opeens een soort voortkwam met vleugels!

C: HET FOKKEN VAN DIEREN 
Soms wordt het fokken van dieren aangehaald als bewijs voor evolutie. Want, zo zeggen sommigen, door de dieren door en door te fokken ontstaat een nieuwe diersoort. Hier is echter precies hetzelfde aan de hand als in de vorige soorten. Door dieren te isoleren van de groep en (zeker in het geval van inteelt) door en door te fokken, worden nieuwe genetische combinaties van het oorspronkelijke DNA gecreëerd. De organismen die een bepaalde gewenste eigenschap bezitten (lees: hij is al aanwezig) worden met elkaar doorgefokt om zo die eigenschap te verankeren. De ‘nieuwe’ soort is enkel een verarming van het DNA van de oorspronkelijke populatie. Daarom zijn doorgefokte dieren ook in de meeste gevallen zwakker en genetisch belast. Mutaties die het DNA in de war geschopt hebben en altijd recessief waren, komen door de inteelt plotseling tot uiting. Hoe dan ook is het fokken van dieren geen voorbeeld van evolutie, maar van het tegenovergestelde: degeneratie en erfelijk verval.

D: RESISTENTIE TEGEN PESTICIDEN
Het populaire pro-evolutionistische studieboek Teaching about Evolution zegt: “De aanhoudende evolutie van menselijke ziekteverwekkers is tegenwoordig een van de meest serieuze gezondheidsproblemen waar de menselijke beschaving voor staat. Vele soorten bacteriën zijn steeds meer resistent geworden voor antibiotica doordat natuurlijke selectie de resistentiegenen heeft aangepast (…). Soortgelijke voorbeelden van snelle evolutie komen voor in veel verschillende organismen. Ratten hebben restitentie ontwikkeld tegen het vergif warfarin. Vele honderden insectensoorten (…) hebben restitentie ontwikkeld tegen pesticides die hun aanvallen – zelfs tegen chemische bescherming die van nature in planten zit.”
Evolutionisten doen het voorkomen alsof de genoemde organismen langzamerhand, door mutaties nieuwe genetische informatie ontwikkelen tegen steeds nieuwe soorten antibiotica of pesticiden. Dit is echter een misleidende weergave van de werkelijkheid. In realiteit heeft dit proces niets te maken met het creëren van nieuwe genetische informatie. Veel bacteriën hebben van nature weerstand tegen diverse agressieve stoffen. Echter, door mutaties is die weerstand bij bepaalde soorten verdwenen (je kunt het vergelijken met ziekten bij mensen waardoor zij geen antistoffen meer aanmaken). Wanneer de populatie bacteriën dus in aanraking komt met een bepaalde specifieke antibioticum, zullen de bacteriën zonder weerstand uitsterven. Echter, zij die de weerstand wel hebben blijven leven. Hoe langer men hetzelfde middel blijft toedienen, hoe meer de bacteriën zonder weerstand afnemen waardoor hun genetische samenstelling uiteindelijk geëlimineerd wordt. Maar de populatie met weerstand neemt alleen maar toe. Uiteindelijk hou je alleen bacteriën over die wel weerstand hebben – op dat moment zeggen wetenschappers dat ‘zij weerstand ontwikkeld hebben’. Dat is echter onzin. De overlevende bacteriën dragen minder informatie mee dan de grote groep waaruit zij voortkomen (stamvadereffect), maar zijn wél resistent tegen dit specifieke middel.
In alle bekende gevallen was er geen sprake van nieuwe informatie die ontwikkeld wordt, maar van het uitsterven van de niet-aangepaste soort. Het gaat zelfs vaak om verlies van informatie door mutaties Een voorbeeld kan dit verduidelijken. Bacteriën kennen een natuurlijke weerstand tegen het antibioticum penicilline. Ze produceren in normale gevallen een enzym, penicillinase, dat de penicilline vernietigd. De hoeveelheid die ze kunnen vernietigen wordt bepaald door een gen. De gecodeerde hoeveelheid die ze aankunnen is genoeg wanneer zij in het wild leven, maar de bacteriën worden overweldigd door de hoeveelheid die ze voor hun kiezen krijgen wanneer aan mensen penicilline wordt toegediend. Echter, een mutatie bij bepaalde bacteriën zorgt ervoor dat het gen dat de hoeveelheid regelt uitgeschakeld wordt. Door dit erfelijke verlies kan de bacterie de antibiotica wél aan, en blijft zodoende in leven. De aangepaste soort is in z’n geheel gezien zwakker en genetisch armer, maar in dit specifieke geval is hij beter aangepast.
Uiteindelijk is het zo, dat in gebieden waar bijvoorbeeld een bepaald soort pesticide wordt toegepast, alleen insecten overblijven die er ook tegen kunnen. In gebieden waar men de pesticide niet gebruikt leven alle bacteriën nog. Evolutionisten noemen dit proces evolutie, maar dat is het duidelijk niet.

E: RUDIMENTAIRE ORGANEN
Wat evolutionisten jaren lang als het bewijs voor evolutie hebben aangedragen, is in werkelijk enkel een bewijs voor het tegenovergestelde: genetisch verval. Rudimentaire organen (oftewel organen die langzamerhand zijn gereduceerd) zijn geen bewijs voor evolutie, maar voor erfelijk verval. De lynx bijvoorbeeld, heeft geen staart meer. En hazelwormen hebben geen poten meer, maar slechts nog onderhuidse ‘resten’ van poten. Ook slangen hebben zulke onderhuidse resten van poten. Daar waar ooit perfecte lichaamsdelen gezeten hebben, daar zitten ze nu niet meer. Dit is een sprekend voorbeeld van micro-evolutie door aantasting van de genen. De grondsoort (of oersoort) was genetisch veel rijker en de dochtergroepen zijn steeds sterker gedegereneerd.
Al deze voorbeelden zijn beslist geen bewijs voor gemeenschappelijke afstamming, maar voor degeneratievanuit een ooit genetisch perfecte grondsoort.
Dan zijn er ook nog een aantal bekende evolutionistische stokpaardjes rondom rudimentaire organen die later zijn ontkracht. Zo zouden op zee levende zoogdieren (zoals walvissen) ook rudimentaire pootjes hebben, maar het is gebleken dat dit belangrijke onderdelen zijn die de voor tplantingsorganen beschermen, en zelfs verschillend zijn bij mannetjes en vrouwtjes. Helemaal geen functieloze overblijfselen dus, maar vitale onderdelen. Ook het ‘staartbeen’ dat mens heeft bleek niet een rudimentair overblijfsel van de apenstaart te zijn, maar een onderdeel met belangrijke functie in de ondersteuning van de endeldarm. De blindedarm van de mens is eveneens altijd aangehaald als evolutionair overblijfsel. Echter, tegenwoordig geeft men toe dat de blindedarm wél functie heeft, namelijk in het immuunsysteem. De mucosa en submucosa van de blindedarm bestaan uit vele lymfachtige knoestjes, en de blindedarm kent een functie als een orgaan van het lymfatische systeem. De mens kan zonder een blindedarm, net zoals het zonder een galblaas of milt kan – maar dat betekent niet dat het orgaan functieloos is. Het lichaam is zo ontworpen dat het zulke functies kan overnemen of herstellen.

F: DIEREN IN GROTTEN
Bepaalde vissen die in grotten leven waar geen zonlicht in voorkomt, missen ook ogen. Dit soort variatie wordt vaak onder de noemer van evolutie geschoven, terwijl het hier overduidelijk om erfelijk verlies gaat. De moedergroep (buiten de grot) had nog wel ogen, de geisoleerde dochtergroep (in de grot) niet meer. De vraag is dus niet zozeer of het hier echt om evolutie gaat, maar meer hoe dit mechanisme werkt.

Eigenlijk is het niet zo heel ingewikkeld. Ten eerste: als je een kleine groep vissen isoleert in een grot en er vervolgens mutaties voorkomen, dan zullen die zeer snel zichtbaar zijn in de hele groep (stamvader-effect). Variatie wordt véél sneller zichtbaar in een kleine groep waar geen input van buitenaf meer bij kan. Veranderingen door mutaties komen dus sneller voor in een geisoleerde grot, dan daarbuiten.
Wanneer er nu buiten de grot een mutatie voorkomt (bijv. dat de vis de ogen verliest door deletie in het DNA), dan zal de aangepaste (of eigenlijk: aangetaste) soort minder goed functioneren en binnen korte tijd uitsterven. Hij zal het namelijk niet op kunnen nemen tegen de vissen die nog wel ogen hebben. Echter, binnen de grot zal de aangepaste soort geen nadeel hebben ten opzichte van de niet-aangepaste soort. Sterker nog, een vis in een grot zonder licht die geen ogen heeft, heeft een genetisch voordeel op de rest. Want doordat het aardedonker is, zullen de vissen vaak tegen objecten of ruwe randen opzwemmen, omdat ze dit niet kunnen zien. De vissen met ogen zullen hier veel sneller verwondingen krijgen en sneller uitsterven dan de soort zonder ogen. Ogen zijn namelijk heel vatbaar voor verwonding. In de loop van honderden, misschien duizenden jaren zijn binnen de grot alle vissen met ogen uitgestorven, en alleen de vissen zonder ogen leven nog. Buiten de groep sterft juist de aangetaste soort uit.

En het belangrijkste van alles: hoe dit mechanisme ook werkt – de aantasting is een voorbeeld van verarming in het DNA, en dus zeker geen evolutie.

Al deze voorbeelden zijn juist tegenbewijzen voor evolutie. Ze tonen aan dat variatie alleen bestaat door verarming en aantasting van het DNA; macro-evolutie en de evolutietheorie vragen om de toename en verbetering van DNA.
Bovendien: de voorbeelden pleiten eerder voor creatie, en zeker niet voor evolutie.

Evolutionisme stelt eigenlijk: hoe langer je wacht, hoe beter een organisme wordt. In de praktijk heeft de genetica aangetoond dat 99% van de mutaties schadelijk zijn. Ga dus maar eens na wat er gebeurt als je miljoenen jaren wacht! Inderdaad – een diersoort wordt dan genetisch steeds slechter. De tekkel, een gedeformeerde nakomeling van de wolf, is zó erg aangetast en genetisch verarmd, dat hij een tal van erfelijke ziektes en afwijkingen door mutaties met zich meedraagt. Dr. Gary Parker drukte dit kernachtig uit: “Tijd, de gebruikelijke held van het evolutieplot, maakt de problemen alleen maar erger. Hoe meer tijd er voorbij gaat, hoe groter de genetische last of genetische corruptie.” (Dr. Gary Parker, Mutation-selection in biblical perspective)

In de huidige organismen zijn vele ziekten en afwijkingen in het DNA zijn binnengeslopen door genetische verarming. Erg veel mensen hebben ziekten die genetisch bepaald zijn en terug te voeren zijn op mutaties. Hoe verder we teruggaan in de tijd, hoe beter en gezonder de organismen waren. Om in het voorbeeld te blijven: de wolf is genetisch sterker, groter en beter dan de tekkel. Als we dus een lijn trekken van de huidige organismen tot vroegere organismen, dan zien we dat er aan het begin ooit een perfecte grondsoort geschapen moet zijn, die in de duizenden jaren na die creatie steeds meer is aangetast.

Geneticaleer heeft bewezen: Hoe langer je wacht, hoe armer en aangetaster een diersoort wordt. Aangezien 99% van de mutaties schadelijk zijn, zullen organismen dus altijd corrupter worden, hoe langer je wacht. Dit zien we ook in de praktijk bij moedersoorten en dochtersoorten. Miljoenen jaren zijn dus geen uitkomst, maar een tegenbewijs voor evolutie.

Overigens heeft ook de moleculaire biologie aangetoond dat evolutie onmogelijk is. Deze nieuwere wetenschap heeft alleen maar sterker benadrukt hoe groot de kloof is tussen grondsoorten, en hoe onoverkomelijk de genetische grenzen zijn. Prof. Giertych (geneticus en hoogleraar), schreef hierover: “Velen hoopten dat de moleculaire genetica evolutie zou bevestigen. Dat is niet gebeurd. Het bevestigt juist de taxonomische afstanden tussen organismen [red.: dat er strikt gescheiden grondsoorten zijn], maar niet de gepostuleerde phylogenetische sequenties. Het bevestigde Linnaeus, niet Darwin.”
(Linnaeus was de 18e eeuwse geleerde die de diersoorten indeelde in grondsoorten.)

Moleculair-bioloog Denton schrijft hierover: “Als de kennis over de moleculaire biologie een eeuw geleden bekend was geweest, dan zou misschien het idee van de evolutie nooit geaccepteerd zijn.” 

En tenslotte prof. dr. ir. Arie van den beukel, een Nederlandse natuurkundige: “Menigmaal wordt gesuggereerd dat de resultaten van de moleculaire biologie van de laatste tientallen jaren de beslissende steun zouden verschaffen aan de darwinistische theorie. Niets is minder waar. Het zijn juist deze resultaten, met name de (onherleidbaar) complexe processen en mechanismen die zich afspelen in de levende cel, die de aanhangers van het zogenaamde ‘intelligent design’ ertoe gebracht hebben om met klem van redenen vast te stellen dat het ondenkbaar is dat dit alles volgens toevalsprocessen van darwinistische snit onstaat zou kunnen zijn.” 
De wetenschap heeft het ultra-populaire Darwinisme altijd de hand boven het hoofd gehouden, zelfs toen andere wetenschappen keer op keer de onmogelijkheid ervan bewezen. Tegenwoordig belijdt men de leer van Mendel naast die van Darwin, terwijl de eerste de tweede onmogelijk maakt. Darwin had op veel punten gelijk: dieren worden door stamvadereffect aangepast op de omgeving en dit werkt via natuurlijke selectie. Echter, er worden geen nieuwe genen toegevoegd – er is juist genetisch verlies. En wanneer je teruggaat in de tijd, kom je bij alle diersoorten weer uit bij één perfecte oersoort die genetisch zeer rijk was – en dat duidt zeer duidelijk op een creatie, niet op evolutie.




Deze grafieken laten het verschil zien tussen de creationistische visie en de evolutionistische. Evolutionisten (eerste grafiek) geloven in macro-evolutie vanuit één organisme doordat er steeds meer genetische informatie bijkomt, creationisten (tweede grafiek) geloven in geschapen grondsoorten, en micro-evolutie binnen vastomlijnde soorten door recombinatie, stamvadereffect en micro-evolutie.

Uit evolutionistisch onderzoek blijkt: macro-evolutie bestaat niet

In tegenstelling tot wat mensen vaak denken is redelijk simpel aan te tonen of een theorie klopt of niet, het is namelijk wetenschap, dus we hebben het over (empirisch) controleerbare feiten. Let goed op. In 1980 werd het Macro Evolution Congres gehouden in Seattle, met als schokkende conclusie: er is wel evolutie in het klein (micro-evolutie, dus variatie binnen de grondsoort), maar niet in het groot (macro-evolutie). Dit is een vaststaand en controleerbaar feit. Macro-evolutie bestaat alleen in hypothese en die hypothese wordt wereldwijd verkondigd. Dat er tot op vandaag nog nóóit macro-evolutie is bewezen en het tóch als feit wordt onderwezen, realiseert bijna niemand zich! De belangrijkste bewijzen die evolutionisten daarom aanhalen voor evolutie, zijn gebaseerd op overeenkomsten in bouw van dieren. Maar dat is evenmin een bewijs. Je kunt dat net zo goed zien als het feit dat er een duidelijke blauwdruk in de schepping zit, omdat er één ontwerper achter zit! Bovendien accepteren evolutionisten het tegendeel – ernstige verschillen in bouw – ook niet als tegenargument. En als organismen die (volgens evolutie) helemáál niet uit elkaar voortkomen grote overeenkomsten vertonen, dan is het opeens een ‘bewijs van convergente evolutie’. Op die manier worden feiten puur naar de hand gezet.

FEIT: In 1980 werd door evolutionisten het Macro Evolution Congres gehouden in Seattle, met als schokkende conclusie: er is wel evolutie in het klein (micro-evolutie, dus variatie binnen de grondsoort), maar niet in het groot (macro-evolutie). Dit is een vaststaand en controleerbaar feit. Macro-evolutie bestaat alleen in hypothese en die hypothese wordt wereldwijd verkondigd.

Macro-evolutie is niet mogelijk in theorie.
Macro-evolutie is nooit gesignaleerd.
Macro-evolutie zien we niet terug in de aardlagen (zie het volgende hoofdstuk).

Dus wat zou objectieve wetenschap moeten doen met een verzinsel als macro-evolutie…? Juist – het verwerpen. Echter, macro-evolutie is essentieel om te kunnen blijven geloven in evolutie, en vandaar dat macro-evolutie nog steeds wereldwijd verkondigd wordt. Macro-evolutie bestaat dan misschien niet; het bestaat wél in de hoofden van wetenschappers.

overgenomen van verzwegenwetenschap.nl

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here