5. evolutionistische dateringsmethodes

bron: verzwegenwetenschap.nl

0
173

Als je de televisie aanzet wordt je omver gegooid met termen als ‘…de vondsten dateren uit de steentijd, zo’n 50.000 jaar geleden’; ‘…men heeft een skelet gevonden in een aardlaag van 100 miljoen jaar oud’; en ‘rond 30.000 jaar geleden trokken de primitieve mensen naar het Zuiden van Frankrijk.’ Dit soort uitspraken worden met zulk een stelligheid tentoongespreid dat je zou denken dat fossielen en vondsten in de aardlagen opduiken met een bordje met de datum! Massa’s mensen denken dat het wetenschappelijk aangetoond is dat deze dateringen kloppen. Wanneer je echter de dateringsmethodes goed onder de loep neemt, blijkt dat zij stuk voor stuk uitgaan van eerdere hypotheses en werken vanuit eerder aangenomen rekenmodellen en diagrammen. Vandaar dat we nu een uitgebreid onderzoek gaan doen naar een ander fundament onder de evolutietheorie: Hoe oud is de aarde nou werkelijk, en wat voor een bewijzen zijn er?

Hoe oud is de aarde?
De meeste mensen hebben wel eens een druipsteengrot bezocht zoals bijvoorbeeld de Grotten van Han in België of Rocamadour in Frankrijk. Vaak wordt er bij zo’n bezoek gewezen op de oudheid van de grotten. Volgens de gids zijn er voor de vorming van druipsteen (stalagmieten en stalactieten) duizenden, honderdduizenden zo niet miljoenen jaren nodig.

Er is echter helemaal niet zoveel tijd nodig voor de vorming van de stalactieten en stalagmieten. Wat ronduit verzwegen wordt is dat de snelheid waarmee zoiets ontstaan puur afhankelijk is van de hoeveelheid water die sijpelt en de hoeveelheid kalk. De onderstaande foto toont een tunnel in een door mensen gegraven mijn. Rechtsonder zijn twee mensen te zien. De foto is genomen in 1987, op niveau 5 in de lood-zink mijnen van Mt. Isa in Queensland Australië. Ten tijde van de foto was de mijn slechts 55 jaar oud, wat dus in dit geval ook de maximale leeftijd van de stalagmieten en stalactieten is.

Deze druipsteengrot in Queensland (Australie) is ontstaan in minder dan 55 jaar. Wat schoolboeken vaak niet vertellen is dat met veel water en kalk een druipsteengrot veel sneller ontstaat.

Ongeveer 55 meter boven het niveau van de grotten bevindt zich een waterbron in redelijk poreus dolomiet (een gesteente dat normaal een nogal dichte structuur heeft). Water met een hoog kalkgehalte dat continu langzaam van de waterbron naar het niveau 5 sijpelt, is verantwoordelijk voor de druipsteenformaties.
Dit voorbeeld laat zien hoe evolutionisten aannemen dat bepaalde processen enorm veel tijd nodig hebben terwijl dat totaal niet bewezen is. Het tegendeel is vaak waar, zo blijkt. Geloven dat het véél tijd nodig heeft past alleen veel beter in het evolutionistische wereldbeeld. Daarom worden dit soort grotten opgevat als zijnde het resultaat van duizenden jaren, terwijl het evengoed kan gaan om het resultaat van een flinke overstroming.

Een soortgelijk voorbeeld is het stof op de maan. Jaarlijks valt er een kleine hoeveelheid ruimtestof op de maan. Uitgaande van evolutie dacht men dat de maan al miljarden jaren stof moest hebben opgevangen toen men de eerste reis naar de maan voorbereidde. De landingsgestellen werden voorzien van speciale poten die niet zouden wegzakken in de metersdikke stoflaag. Aangekomen op de maan trof men een laagje van enkele centimeters aan op het maanoppervlak. Is ons zonnestelsel en onze planeet wel zo oud als men denkt?

Zo zijn er nog een aantal zaken waarvan evolutionisten altijd beweerd hebben dat ze het bewijs zijn van zeer lange tijdsperiodes, terwijl ze bewezen in snelle tijd kunnen ontstaan. Olie en steenkool werden gezien als bewijzen voor een oude aarde, terwijl men tegenwoordig olie wint uit afval in een laboratorium. Olie en steenkool zijn juist een treffend argument voor een wereldwijde vloed, omdat vele organismen met gigantische pressie zijn verkoold. En landschappen met bergen, rotsen en welvingen werden eveneens voor een bewijs voor een oude leeftijd van de aarde gezien, terwijl er voorbeelden zijn van hoe enorm snel die kunnen ontstaan. In 1963 ontstond bijvoorbeeld het eiland Surtsey 70 km ten zuiden van IJsland. Binnen enkele maanden was een gevarieerd en volwassen landschap ontstaan met zandstranden, steile rotspunten, kiezelbanken en lagunen, bergdalen en indrukwekkende rotsen die lijken op de White Cliffs aan het Engelse Kanaal. Er zijn zelfs grote rolstenen, verweerd door de branding, waarvan sommigen bijna rond zijn. En dit is niet het werk van millenia, maar van maanden .

In het kort
EVOLUTIE ALS UITGANGSPUNT

Toen Darwins theorie aan populariteit toenam veranderde er veel in de wijze waarop geleerden naar zaken keken. Omdat Darwin geleidelijke, langzame ontwikkeling in miljoenen jaren verkondigde, is men de andere wetenschapsvlakken vanuit deze aanname gaan interpreteren. Dit is duidelijk te zien in de geologie (catastrofisme verdween en actualisme werd de maatstaf; men deelde de aardlagen in op basis van vermeende tijd dat evolutie geduurd heeft), maar ook in de kosmologie (het big-bang model werd het uitganspunt bij bestudering van het heelal) en astronomie (men ontwikkelde modellen voor een miljarden jaren oud heelal en theoriën om in een oude zon, maan en melkweg te geloven). Het lijkt tegenwoordig alsof al deze wetenschappelijke disciplines evolutie bevestigen, maar ze zijn slechts een voortvloeisel ervan. Veel wetenschappers zijn het niet eens met de heersende hypotheses.

FEIT: Veel zaken die genoemd worden als bewijzen voor een miljoenen jaren oude aarde, zijn dat in werkelijkheid helemaal niet. Druipsteengrotten kunnen bewijsbaar ontstaan binnen een eeuw; olie en steenkool worden zelfs in laboratoria gewonnen en Surtsey heeft bewezen dat zelfs een eiland met rotsen, lagunen en bergdalen in maanden kan ontstaan. Alles wat je nodig hebt is veel water en een hoge druk, zoals bij een vloed.

Astronomische problemen met de miljarden-jaren-theorie
Darwin kwam met het idee dat alles ontstaan is door krachten die langzaam en in miljarden jaren werken. Sinds Darwin is de wetenschap ook de kosmos en de hemellichamen gaan interpreteren als het resultaat zulke miljarden-jaren-durende krachten. Zo ontstond de nebular hypothesis; de theorie dat ons zonnestelsel is ontstaan vanuit een stofwolk en gas, 4,5 miljard jaar geleden. Alle uitleg over ons universum in populair-wetenschappelijke lectuur verkondigt dit concept, terwijl de basis ervan tegen grote problemen oploopt. Talloze ‘langzame krachten’ in ons zonnestelsel blijken namelijk bij terugrekening onmogelijk zo lang aan de gang te kunnen zijn. In alle onderstaande gevallen in het tegenbewijs zo sterk, dat men de meest onlogische hypotheses heeft moet opperen en zich in allerlei bochten heeft moeten wringen om de evolutiegedachte te kunnen redden van de ondergang. Een greep:


) Kometen tonen aan dat het universum geen 4,5 miljard jaar oud kan zijn
Volgens de evolutietheorie moeten kometen even oud zijn als het zonnestelsel, zo’n 4,5 miljard jaar oud. Er komen nooit nieuwe kometen bij, wel vervallen kometen langzamerhand. Het is namelijk zo dat kometen telkens als ze dichtbij de zon komen zoveel van hun materiaal verliezen dat ze in totaal nooit langer dan 100.000 jaar kunnen overleven. De meeste kometen hebben bovendien zelfs een leeftijd van maar 10.000 jaar. Hieruit vloeit de logische conclusie voort dat ons zonnestelsel niet ouder kan zijn dan 10.000 – 100.000 jaar.
Evolutionisten hebben de meest uiteenlopende en vergezochte verklaringen voor dit tegenbewijs. Zo zouden kometen van een onbekende en nog niet geobserveerde (!) ‘oort-wolk’ komen achter Pluto. Anderen zeggen dat de kometen uit de ‘Kuiper Belt’ komen, een hypothetische (!) bron van kometen in een zonnestelsel buiten Pluto. De genoemde Oort-wolk wordt op populaire wijze verkondigd alsof het een astronomisch feit is; toch is er geen enkel bewijs van zijn bestaan. Zoals Sagan and Druyan zeiden in Comets , (p.201, 1986): “Ieder jaar worden er veel wetenschappelijke publicaties geschreven over de Oort-wolk, zijn eigenschappen, zijn ontstaan, zijn evolutie. Toch is er niet het kleinste bewijs geobserveerd voor zijn bestaan.” Ook voor de Kuiper Belt – in het leven geroepen om de hiaten in de hypotheses weg te redeneren – is geen enkel direct bewijs.
En als de Kuiper Belt en werkelijk bestaat dan is dat nog geen verklaring, want de Kuiper Belt zou in miljarden jaren al lang uitgeput moeten zijn. Hoe dan ook: de Oort-wolk of Kuiper-Belt bestaan niet – ze bestaan alleen in de theorieën van evolutionisten. En die theorieën zijn helemaal niet nodig en bovendien uiterst discutabel. Ze zijn alleen bedacht om in een oude aarde te kunnen geloven, tegen de bewijzen in.

FEIT: Kometen bestaan al sinds het begin van ons universum en er komen nooit nieuwe kometen bij. Bovendien kunnen kometen nooit ouder worden dan 100.000 jaar vanwege het verval dat zij ondergaan. De meeste huidige kometen zijn 10.000 jaar oud. Conclusie: het universum kan onmogelijk 5 miljard jaar oud zijn. Evolutionisten geloven om dit dillemma te omzeilen in hypothetische en nog-niet-ontdekte oort-wolken achter Pluto waar de kometen vandaan zouden komen, enkel om maar niet in een jong universum te hoeven geloven.


b) De maan kan geen 4,5 miljard jaar oud zijn
Er is een enorme zwaartekrachtswerking tussen de aarde en de maan; namelijk zo’n 70 triljoen pond (70 met 18 nullen) oftewel 30.000 triljoen ton (30 met 15 nullen). Het effect van zwaartekracht is afhankelijk van de afstand zowel als de massa, waardoor de aantrekkingskracht tot de maan aan de kant van de aarde die naar de maan toestaat groter is dan aan de achterkant (die van de maan afstaat). Dit zorgt voor de land- en (vooral) zeeoppervlaktes bol gaan staan (dit effect zorgt voor onze getijden, eb en vloed). Maar omdat de aanwezigheid van de maan niet over de gehele aarde een onmiddelijke bolstaande reactie veroorzaakt, resulteert het effect in een constante kleine voorwaartse ‘ruk’ op de maan, wat ervoor zorgt dat hij langzaam van de aarde afdrijft. De snelheid waarmee de afstand tussen maan en aarde momenteel toeneemt is gemeten op ongeveer 4 centimeter per jaar. Logischerwijs moet de snelheid vroeger nog veel groter zijn geweest, want de zwaartekrachtswerking neemt nu per centimeter af.

Deze metingen roepen onmiddellijk de vraag op hoe het aard-maansysteem 4,5 miljard jaar oud kan zijn zoals de meeste evolutionisten de wereld inbrengen. Als dát zo zou zijn zouden we onze maan al lang geleden verloren hebben! De twee planeten zijn ingesteld op een ‘samenwerking’ die onmogelijk miljarden jaren door kan blijven gaan. De astronoom dr. Don DeYoung (professor van fysica aan het Grace College, Indiana, USA) heeft berekend (uitgaande van de juiste diferentiaalvergelijking, rekening houdend met de zwaartekracht die met de afstand veranderd) dat de hoogst mogelijke leeftijd 1,4 miljard jaar is. Dat is dus niet de leeftijd van de maan, maar het absolute maximum, want op dat punt zouden de aarde en maan elkaar raken. En men weet dat de maan nooit dichter dan 18.400 kilometer bij de aarde kan komen (de zogenaamde Roche Limiet), omdat de zwaartekracht van de aarde de maan op dat punt verbrijzeld zou hebben.

Evolutionisten hebben nog geen verklaring voor dit fenomeen, maar zij zullen waarschijnlijk binnen afzienbare tijd een theorie lanceren om dit probleem te omzeilen. Er zit trouwens voor evolutionisten nog een probleem aan vast: op de maan ontbreekt het aan geologisch bewijsmateriaal dat de maan 4,5 miljard jaar aan het eroderen is. Niets wijst erop dat deze planeet zo oud is, want ware het zo, dan zou de planeet niet meer bestaan. En al helemaal niet in onze omgeving. (Voor de berekeningen verwijs ik naar Is the moon really old? dr. Don DeYoung, professor of physics (Creation 14(4):43, September 1992).

FEIT: De zwaartekrachtswerking tussen aarde en maan zorgt ervoor dat de maan ieder jaar ongeveer 4 centimeter van de aarde ‘afdrijft’. Logischerwijs was de snelheid vroeger nog veel hoger, omdat de afstand toen nog kleiner was. Dit proces kan teruggerekend 4,5 miljard jaar aan de gang zijn, omdat we onze maan dan al kwijt zouden zijn. De uiterste limiet is 1,4 miljard jaar – veel te kort voor evolutie.

c) De zon en de ‘faint young sun paradox’
Al het leven op aarde is afhankelijk van de zon. Volgens paleontologen was de aarde vroeger zelfs warmer dan vandaag de dag. De zonnewarmte is van ongekend belang voor de evolutietheorie. De zon zelf wordt gevoerd door nucleaire reacties. Als de zon haar nucleaire ‘brandstoffen’ opgebrand zou hebben, zou haar kern kleiner worden waardoor de reacties zouden verhevigen. Omdat de zon haar nucleaire brandstoffen steeds meer verbruikt, gaat zij steeds heftiger schijnen, hoe ouder ze wordt.
Maar dit betekent, dat als het zonnestelsel al 4,5 miljard jaar bestaat, de zonnekracht in het verleden veel zwakker moest zijn geweest. Toch is er geen bewijs dat de zon zwakker was tijdens de geschiedenis van de aarde. Dat duidt erop dat het zonnestelsel nog niet zo lang bestaat. Astronomen noemen dit dillema de ‘faint young sun paradox’. Het is echter geen paradox als de leeftijd van de zon en aarde simpelweg veel lager is.

De toenemende helderheid van de zon maakt echter evolutie ook onmogelijk. Volgens evolutionisten ontstond het leven op aarde zo’n 3,8 miljard jaar geleden. Tegenwoordig weten we echter dat de zon destijds 25% minder helder zou zijn geweest dan nu. Dat betekent dat de aarde bevroren zou zijn geweest met een gemiddelde temperatuur van -3º C. En dat terwijl de paleontologie er vanuit gaat dat de aarde in het verleden warmer was!
Maar om dit dilemma te omzeilen heeft men een hypothese ontwikkeld die het gat opvult: men neemt aan dat het broeikaseffect destijds veel sterker was dan nu, met 1000 keer meer CO2 in de atmosfeer dan vandaag de dag. Er is echter geen wetenschappelijke aanleiding voor deze theorie. De enige reden is evolutie, wat al aangenomen was voor men de waarheid rond de zonkracht ontdekte. De broeikastheorie dient alleen om het tegenbewijs te elimineren en in evolutie te kunnen blijven geloven. (Voor de astronomische berekeningen verwijs ik naar Our steady sun: a problem for billions of years, Jonathan Sarfati, voor een diepere uitleg over de paradox verwijs ik naar The Young Faint Sun Paradox and the Age of the Solar System, Danny Faulkner, Ph.D.)

FEIT: De zon gaat steeds heviger schijnen omdat ze haar nucleaire brandstoffen opbrandt. Miljarden jaren geleden zou de zon daardoor veel minder sterk geschenen hebben. Toch ontstond volgens evolutie het leven 3,8 jaar geleden in een warmere atmosfeer. Destijds zou de zon 25% minder sterk hebben geschenen, waardoor de aarde bevroren zou zijn geweest. Dit maakt evolutie onmogelijk. De ‘faint young sun paradox’, zoals astronomen het dilemma noemen, is echter geen paradox als we geloven dat het universum jonger is.

d) Mercurius, Venus, Uranus en Mars onkrachten evolutiemodellen
Mercurius, een van de negen planeten in ons zonnestelsel, staat het dichtst bij de zon. Het is een van de kleinste planeten van ons zonnestelsel. Wetenschappers zijn veel te weten gekomen over Mercurius door de onderzoeken van de Mariner 10 die erlangs vloog in 1974-1975. Zo kwam men erachter dat Mercurius de hoogste dichtheid heeft van alle andere planeten naast de Aarde. De dichtheid van Mercurius is zo extreem dat men dacht dat hij een ijzeren kern moest hebben die 75% van zijn diameter besloeg. Deze dichtheid heeft veel verwarring gebracht bij evolutionistische wetenschappers, omdat het ingaat tegen al hun planetaire modellen. Alle evolutionaire modellen zeggen dat Mercurius niet zo’n dichtheid kan hebben als aangetoond is, omdat het de geleidelijke ontstaansgedachte van planeten tegenwerkt.

Na tientallen jaren van strijd en hypothetiseren hebben de meeste astrofysica het tegenwoordig opgegeven en toegegeven dat Mercurius’ hoge dichtheid niet in lijn gebracht kan worden met de langzame-en-geleidelijke-ontwikkeling-modellen. Maar zoals altijd is er een verklaring gekomen: miljarden jaren geleden is er een grote inslag geweest in Mercurius die al zijn minder dichte materiaal heeft weggevaagd, en enkel de delen met hoge dichtheid heeft achtergelaten. Op die manier kunnen evolutionisten gewoon blijven geloven de langzame ontstaanstheorie van de planeten, en is de tegenwoordige dichtheid van de planeet weggeredeneerd.
Wat er dus feitelijk gebeurd is, is dit: evolutionisten hebben toegegeven dat de planeet Mercurius niet verklaard kan worden door hun modellen van geleidelijke evolutieprocessen. Zij hebben echter die modellen niet verworpen, maar een lang-geleden-gebeurde catastrofale werking voorgesteld. Wat is er voor een bewijs aan deze hypothese? Niets! De enige reden is dat Mercurius anders evolutie zou ontkrachten!

En Mercurius staat niet alleen:
•  De planeet Uranus helt over, terwijl dat volgens de evolutiemodellen niet kan. Daarom is er lang geleden iets geweest dat de planeet geraakt heeft en omver gegooid heeft.
•  Venus’ rotatie gaat in tegen evolutionaire voorspellingen, dus daarom raakte iets de planeet waardoor het de tegengestelde richting in ging draaien.
•  De atmosfeer van Mars is de dun volgens de evolutionaire modellen, daarom is hij vroeger dikker geweest, maar iets raakte hem en vaagde het grootste deel van de planeet weg.
•  Omdat Saturnus en haar ringen steeds dichter bij elkaar komen kan zij nog niet miljarden jaren oud zijn, daarom is er later een komeet in de buurt van de planeet verbrijzeld die de ringen veroorzaakte.
•  En last but not least: Mercurius heeft een te hoge dichtheid voor evolutie, daarom raakte iets de planeet en verwijderde de lichtere delen.

Spike Psarris, B.Sc., een ingenieur in het militaire ruimteprogramma van de Verenigde Staten zei: “Steeds weer opnieuw worden in de astronomie kosmische botsingen aangegrepen als een soort toverstafje om de evolutionaire theorieën te redden van de feiten.” Evolutionisten opperen telkens catastrofes wanneer hun theorie in het gevaar komt, maar noemen het creationistische model van een catastrofale wereldwijde vloed op aarde ‘onwetenschappelijk’, ondanks de overvloedige fysische en historische bewijzen ervoor.

e) Zonnestelsels winden zich te snel op
De sterren van ons zonnestelsel, de Melkweg, roteren met verschillende snelheden. De sterren binnenin de spiraal van het stelsel roteren sneller dan de buitenste sterren. De geobserveerde rotatiesnelheid is zo snel dat wanneer ons zonnestelsel ook maar ‘slechts’ een paar honderd miljoen jaar oud zou zijn, het een ongeordende massa sterren zou zijn geworden zonder de spiraalvorm die het nu nog wel heeft. Volgens evolutionisten is de Melkweg al 10 miljard jaar oud! Evolutionisten kennen dit probleem en noemen dit het ‘winding-up dilemma’. Zij hebben al de meest vergezochte en onlogische verklaringen gezocht voor het probleem, maar allen kunnen niet door feiten bevestigd worden. De oplossing is echter simpel: het heelal is nog niet zo oud als men denkt.

FEIT: De rotatiesnelheid van sterren in de Melkweg is zo snel, dat men berekend heeft dat als het zonnestelsel slechts een paar honderd miljoen jaar oud zou zijn, het de spiraalvorm kwijt geraakt zou moeten zijn en een ongeordende massa sterren zou zijn geworden. Evolutionisten geloven dat de Melkweg al 10 miljard jaar oud is, wat gewoon onmogelijk kan. Dit noemen zij het ‘winding-up dillema’, wat overigens helemaal geen dilemma zou zijn als zij zouden aannemen dat de Melkweg jonger is.

f) Magnetische velden getuigen tegen 4,5 miljard jaar ouderdom
Zoals we straks zullen zien (in 5.3 c) neemt het magnetische veld van de aarde te snel af om 4,5 miljard jaar oud te zijn. Terugrekenen levert zelfs op dat de aarde niet ouder kan zijn 10.000 jaar. Soortgelijke problemen zijn er met veel planeten. De meeste planeten in ons zonnestelsel hebben een magnetisch veld. Evolutionisten hebben hiervoor de ‘dynamo-theorie’ ontwikkeld, die onder andere inhoudt dat de planeten met een magnetische veld een gesmolten metalen kern hebben. Door een ingewikkelde reeks opeenvolgende gebeurtenissen kan een planeet dan een magnetisch veld krijgen. Deze theorie is niet logisch en er zijn veel meer verklaringen mogelijk. Echter, de dynamo-theorie is de enige mogelijkheid waarop planeten 4,5 miljard jaar oud kunnen zijn zonder hun magnetisch veld verloren te hebben! Alle andere mechanismen vereisen dat de planeten veel jonger zijn, dus die vallen voor de evolutionist af.
Helaas voor de actualisten is het zo dat, hoe meer men ontdekt over de planeten, hoe meer men tot de ontdekking komt dat de dynamotheorie niet waar kan zijn. Maar op bij Mercurius te blijven: als Mercurius miljarden jaren oud is nog steeds een magnetisch veld heeft, moeten er vloeibare bewegingen in de kern van de planeet zijn. De kern moet dus gesmolten zijn. Echter, Mercurius is zó klein dat de algemene opinie is dat de kern van de planeet al ontzettend lang geleden bevroren moet zijn. Daarom kán Mercurius’ kern niet gesmolten zijn, waardoor Mercurius dus geen magnetisch veld kan hebben. Toch heeft het dat!

Wanneer Mercurius en ons zonnestelsel jong zijn, en dus niet miljarden jaren oud zoals in de heersende evolutiegedachte die ons in de schoenen geschoven wordt, dán is er geen enkel probleem. Voor een jonge planeet zijn er vele mogelijkheden waardoor hij een magnetisch veld zou kunnen hebben.

Sommige evolutionisten hebben daarom de oplossing geopperd dat de kern van Mercurius mogelijk niet van ijzer is, maar van ijzersulfide (wat niet gestold zou zijn). Dat brengt hen echter bij een nog veel groter probleem, want dit zou de nebular hypothesis weerspreken (de evolutionaire ontstaanstheorie van het heelal), die zegt dat er geen elementen als sulfur zo dichtbij de zon kunnen zijn. Deze evolutionisten proberen de miljarden-jaren theorie te redden, maar ondermijnen daarmee het fundament onder de hele evolutionistische astronomie!

FEIT: Dat planeten een magnetisch veld hebben is goed mogelijk als zij jong zijn en veel moeilijker te verklaren als zij zeer oud zijn. Daarom hebben evolutionisten de dynamo-theorie ontwikkeld; de enige mogelijkheid waarop planeten 4,5 miljard jaar oud kunnen zijn zonder hun magnetisch veld verloren te hebben. Mercurius kan alleen miljarden jaren oud zijn én nog een magnetisch veld hebben als de kern vloeibaar en gesmolten is. Toch zou de planeet in de miljarden jaren bevroren moeten zijn vanwege zijn kleine formaat. Ook voor veel andere planeten blijkt de dynamotheorie niet te werken. Als de planeten echter jong zijn, is het heel aannemelijk dat zij een werkend magnetisch veld hebben.

g) De ringen van Saturnus tonen dat de planeet geen 4,5 miljard jaar kan zijn
Saturnus is volgens evolutionisten 4,5 jaar oud, net zo oud als het zonnestelsel zou zijn. Echter, rondom Saturnus zijn gigantische ringen aanwezig die bestaan uit ijs en puin. Door de zwaartekracht van Saturnus komen ze steeds dichterbij de planeet. Logischerwijs kan dit proces nog niet geen miljarden jaren aan de gang zijn, omdat het puin dan de planeet bereikt zou hebben. Zelfs sommige evolutionistische astronomen geven toe dat de ringen niet ouder kunnen zijn dan 100 miljoen jaar. Een internationaal team van Franse, Amerikaanse en Canadese wetenschappers heeft via de Hubble ruimtetelescoop ontdekt dat de binnenste ringen in zo’n snel tempo water verliezen dat het zelfs al verdwenen zou zijn als de ringen ouder dan 30 miljoen jaar zouden zijn (Hecht, J., 1996. Water ‘rains’ on the ringed planet. New Scientist, 152(2053):18.).

Wetenschappers zijn al decennialang aan het puzzelen hoe Saturnus en haar ringen er hebben kunnen zijn gedurende de 4,5 miljard jaar. Nu zijn er theorieën dat de ring is ontstaan doordat een maan verbrijzeld zou zijn die ooit rond Saturnus draaide. De astronoom Wing-Huap Ip (Max Planck Institute for Astronomy) heeft op basis van de massa van de ringen berekend hoe groot zo’n maan dan moet zijn geweest. Ip stelde dat voor de ringen van Saturnus een maan nodig is van 100 kilometer breed (dat is bijna 30 keer zo breed als ‘onze’ maan). Ip berekende echter dat zo’n ring-vormende botsing in 30 miljard jaar niet zou gebeuren! Dit is véél langer dan de 4,5 miljard jaar die toegeschreven wordt aan ons zonnestelsel en zelfs nog tweemaal zolang als de leeftijd van het hele universum volgens de meeste evolutionisten!
Daar komt bij dat Laurance R. Doyle (NASA) van het Ames Research Center samen met collega’s heeft geconcludeerd, op basis van de mate waarin het puin en ijs in de ring geërodeerd is, dat de ring van Saturnus niet ouder kan zijn dan 100 miljoen jaar.

Kortom, het probleem voor de evolutionist is als volgt:
•  Saturnus moet volgens de evolutiegedachte miljarden jaren oud zijn (namelijk zo oud als ons zonnestelsel), maar de huidige conditie van de ringen toont aan dat ze niet ouder kunnen zijn dan 100 miljoen jaar oud.
•  Het universum zou niet ouder zijn dan 15 miljard jaar, en Saturnus ringen zouden in die tijd niet eens kunnen ontstaan. De gedachte dat de ringen ‘later’ door een maanverbrijzeling zijn ontstaan zijn daarmee ontkracht.

FEIT: Saturnus moet volgens evolutiegedachte 4,5 miljard jaar oud zijn. Saturnus móet zijn ringen hebben sinds het zonnestelsel is geformeerd, want de ringen kunnen niet na die tijd zijn ontstaan. Toch bewijzen de ringen zelf dat ze niet ouder dan 100 miljoen jaar oud kunnen zijn! Er is maar één mogelijkheid: ons zonnestelsel is véél jonger dan evolutionisten hopen. Jonger dan 100 miljoen jaar, wat evolutie onmogelijk maakt.

h) Te weinig supernova-resten voor 4,5 miljard jaar
Astronomen weten vanuit hun observaties dat zonnestellen zoals de onze ongeveer 1 supernova (een op gewelddadige wijze exploderende ster) in de 25 jaar meemaken. Het gas en de resten van zulke explosies (zoals de Crab Nebula) zetten snel uit en moeten voor een miljoen jaar zichtbaar blijven. Echter…. in de delen van het universum dat wij kunnen observeren, vinden we slechts genoeg gas en stofresten voor 200 supernova’s. Omgerekend kan het universum dus niet ouder zijn dan 7000 jaar.

Deze tabel laat zien hoeveel SNR’s (SuperNova Remnants) er zichtbaar moeten zijn (opgedeeld in eerste, tweede en derde stadium van een supernovarest) als ons universum miljarden jaren oud is, én als het nog maar 7000 jaar bestaat. Als het universum werkelijk miljarden jaren oud is, dan missen we 7000 supernovaresten in onze melkweg. Het werkelijk aantal supernovaresten dat we observeren komt overeen met een universum dat slechts duizenden jaren oud is. Evolutionisten kennen dit probleem. De evolutionistische astronomen Clark en Caswell zeiden: “Waarom is het grote aantal verwachte resten niet gevonden?” Zij refereren naar dit probleem als ‘het mysterie van de missende resten’.

FEIT: In de delen van het universum die wij kunnen observeren, vinden we slechts genoeg gas en stofresten voor 200 supernova’s. Dat brengt de leeftijd van het universum op een maximum van 7000 jaar.

i) Het landschap van Titanus ontkracht 4,5 miljard jaar
De maan van Saturnus, namelijk Titanus, was jarenlang een mysterie voor wetenschappers. Uitgaande van de gedachte dat het universum miljarden jaren oud is, hadden evolutionistische wetenschappers theoriën opgesteld van hoe het landschap van Titanus eruit zou moeten zien. Men wist namelijk dat Titanus is bedekt onder een stikstofrijke atmosfeer vol methaan, en dat ethaan Titanus binnenkomt via de atmosfeer, en wel als vloeistof, waarna het nooit meer terug kan keren naar de atmosfeer. Wetenschappers weten dat dit proces niet wederkeerbaar is, en dat het daarom zal leiden tot een constante opbouw van ethaan, die in de miljarden jaren gezorgd moest hebben voor meren en mogelijk zelfs oceanen op het oppervlak van Titanus.
In 1997 werd de Titan-IV raket met de Huygens-sonde richting Saturnus en Titanus gestuurd. Men verwachtte een enorme expansie vloeibare ethaan tegen te komen. Tijdens de zeven jaar durende reis vingen de telescopen enkel lichte en donkere gebieden op, maar geen oceaan. Uiteindelijk kwam de Huygens-sonde op 14 januari 2005 terecht op het oppervlak van Titanus, waar hij vele foto’s maakte en metingen deed (de sonde was ontworpen om zowel op vaste als vloeibare oppervlakken te opereren). De wetenschappers hoopten op een plons.

De resultaten waren sensationeel: in plaats van meren en oceanen trof de Huygens op droge grond, waar de vloeibare ethaan blijkbaar in het oppervlak opging, maar bij lange na niet een expansie kende tot het vormen van meren. De sonde meette enkel wat sporen ethaan.

De uitkomsten maken duidelijk dat de 4,5 miljard jaar leeftijd niet kloppen. Want als de processen als zo lang aan de gang waren, waar was alle ethaan dan? Het kan de atmosfeer van Titanus ten slotte niet meer uit! Voor evolutionisten is de afwezigheid van grote hoeveelheden ethaan nog steeds een mysterie!

FEIT: Astronomen weten dat ethaan de atmosfeer van Titanus binnenkomt als vloeibare stof, en daarna de atmosfeer niet meer uit kan. Daarom verwachtten zij hele meren of zelfs oceanen van ethaan te vinden op het oppervlak van Titanus. Echter, in 2005 landde de Huygens-sonde op Titanus en schoot daar vele foto’s en deed er vele metingen. Wat bleek: de sonde landde op droog oppervlak, en er waren geen grote hoeveelheden ethaan. Zeker geen meren of oceanen. Dit toont aan dat Titanus nog helemaal geen miljarden jaren bestaat.


j ) Het krimpen van de zon ontkracht miljoenen jaren

Recentelijk hebben John A. Eddy (Harvard -Smithsonian Center for Astrophysics and High Altitude Observatory in Boulder) en Aram A. Boornazian (een wiskundige) bewijzen gevonden dat de zon met 0,1% per eeuw ‘krimpt’. De genoemde wetenschappers hebben hun resultaten gebaseerd op 400 jaar zonneobservatie en hieruit blijkt dat het krimpen van de zon zeer constant doorgaat. De diameter van de zon is ongeveer een miljoen mijl, dus dit krimpen van de zon valt niet op binnen honderden of duizenden jaren. Het kleiner worden van de zon gaat zo langzaam dat we ons geen zorgen hoeven te maken over onze nakomelingen.

Voor wie gelooft dat de aarde minder dan 10.000 jaar oud is, is er geen enkel probleem. De zon zou dan bij de creatie 6% groter zijn dan nu. Echter, 100.000 jaar geleden zou de zon al tweemaal zo groot zijn als nu! Het is bijna niet voor te stellen dat onder die condities er leven mogelijk zou zijn op aarde. Voor evolutionisten is 100.000 jaar echter een korte tijdsperiode – de aarde zou al meer dan 4 miljard bestaan!

Het is echter nog erger: als we de afname van de zon terugrekenen, blijkt dat 20 miljoen jaar voor Christus de diameter van de zon de aarde zou raken! Volgens evolutionisten was in die tijd alle evolutie op aarde al voltrokken – enkel het ontstaan van de mens uit primaten moest nog volgen. Uit de observaties vloeit de logische conclusie voort dat de zon en aarde onmogelijk ouder kunnen zijn dan 100.000 jaar. Het krimpen van de zon is daarmee een ongelofelijk bewijs dat de aarde en de zon onmogelijk zo oud kunnen zijn als evolutionisten geloven. (Voor verder lezen en de berekeningen verwijs ik naar The Sun is Shrinking door Russell Akridge, Ph.D.)

FEIT: De zon krimpt met 0,1% per eeuw. Dit maakt evolutie onmogelijk. Uit berekeningen blijkt dat 100.000 jaar geleden de zon al tweemaal zo groot zou zijn als nu, wat leven onmogelijk maakt. 20 miljoen jaar geleden zou de zon zelfs de aarde geraakt hebben! Hieruit blijkt duidelijk dat zowel zon als aarde niet ouder kunnen zijn dat maximaal 100.000 jaar.


Bewijzen voor een jonge aarde
We hebben nu al de problemen gezien rondom de miljarden-jarentheorie met betrekking tot het universum. Dit soort problemen zijn er ook met betrekking tot de aarde. Wetenschappers maken de fatale fout een onbewezen theorie (de evolutietheorie) als compleet richtsnoer te nemen voor het indelen van tijdsperken en het ramen van vondsten. De periodes dat de mens steen en later ijzer en brons is gaan gebruiken (de steentijd, ijzertijd en bronstijd) zijn door wetenschappers zelf opgesteld, en in dit schema is de steentijd door wetenschappers uitgerekt tot honderduizend jaar om het gat van aap tot mens te dichten. Er zijn geen bewijzen dat de rotstekeningen in Frankrijk tienduizenden jaren geleden gemaakt zijn. Ze worden enkel en alleen geraamd in het evolutieschema, dat uitgaat van een ontwikkeling van aap tot mens in miljoenen jaren – dáárom worden ze gedateerd op die ouderdom.

Iedere dateringsmethode maakt gebruik van oncontroleerbare en onbewijsbare aannames. Hier komen we later in dit hoofdstuk op terug wanneer we deze methodes gaan analyseren.

De oudheid van de aarde kan niet concreet bewezen worden, al wordt tegenwoordig de indruk gewekt dat het een aantoonbaar feit is dat de aarde al miljarden jaren oud is. Erg kortzichtig, want er zijn ernstig veel fundamentele feiten die de oudheid van de aarde tegenspreken. Het gaat te ver om een hele studie te doen naar de bewijzen voor een jonge aarde, maar een aantal zal ik noemen:

a) Er is niet genoeg modder op de zeebodem
Ieder jaar eroderen water en wind zo’n 25 miljard modder en gesteente van de continenten en spoelen het in de oceaan. Dit zou volgens evolutionisten al aan de gang zijn sinds de oceanen ontstonden, 3 miljard jaar geleden. Als dat zo zou zijn zouden we een kilometersdikke laag modder op de zeebodem moeten vinden. Toch is de gemiddelde modderdiepte van de oceanen minder dan 400 meter.

FEIT: Als de aarde en de oceanen al 3 miljard jaar bestaan, dan zouden we omgerekend een kilometersdikke laag modder op de zeebodem moeten vinden. Toch is de gemiddelde modderdiepte 400 meter.

b) Sodium- en zoutgehalte in de zee
Ieder jaar ‘lozen’ rivieren en andere bronnen 450 miljoen ton sodium in de oceaan. Slechts 27% van deze sodium kan hetzelfde jaar weer uit de oceaan verdwijnen. De rest gaat op in de oceaan. Als de oceaan aan het begin nog geen sodium had, dan zou het het hedendaagse sodiumgehalte bereikt hebben in 42 miljoen jaar. Was er al wel sodium aanwezig dan zou het in nog minder tijd gebeurd zijn. Volgens evolutionisten zou de oceaan al 3 miljard jaar bestaan! Er zou dan véél meer sodium aanwezig moeten zijn.
Berekeningen van andere zeewaterelementen geven zelfs nog veel jongere leeftijden voor de oceaan, zoals het zoutgehalte. Dat onze oceanen zout zijn is een enorm sterk bewijs dat de aarde jong is. Meerdere wetenschappers, waaronder Newton’s collega Halley, hebben de maximale leeftijd van de oceaan berekend aan de hand van het zoutgehalte, en die is veel jonger dan men graag wil zien. Austin en Humphreys hebben berekend dat de oceaan op z’n allerhoogst 62 miljoen jaar oud kan zijn. De oceaan kan wel minder oud zijn, maar onmogelijk ouder. Evolutionisten kunnen hier weinig mee aangezien zij nou eenmaal geloven dat de oceanen ouder zijn. De zoute oceanen zijn namelijk essentiëel voor leven op aarde; evolutie wordt absoluut onmogelijk met deze uitkomsten. De berekeningen worden daarom steeds opnieuw gedaan met een maximale toevoer en minimale afvoer van zout, maar zelfs dan blijft de oceaan te jong voor evolutie.

FEIT: Het sodium- en zoutgehalte in de oceanen zou vele malen hoger moeten liggen als de oceaan al 3 miljard jaar zou bestaan. Onderzoekers als Halley, en later Austin en Humphreys hebben aangetoond dat de oceaan op zijn allerhoogst 62 miljoen jaar oud kan zijn. Zelfs als evolutionisten de berekeningen zó uitvoeren dat er een maximale input zout is en een minimale afvoer, dan nóg blijkt dat de oceaan door hen veel te oud wordt geschat.


c) Het magnetisch veld van de aarde neemt te snel af
De totale energiehoeveelheid in het magnetisch veld van de aarde is over de laatste 1000 jaar maar liefst met factor 2,7 afgenomen. Wanneer we deze factor terugrekenen komen we op een maximale leeftijd van de aarde van 10.000 jaar. Evolutionaire verklaringen voor dit probleem zijn zeer complex, vergezocht en niet adequaat.

FEIT: De energiehoeveelheid in het magnetisch veld van de aarde neemt geleidelijk af. Als we de afname terugrekenen blijkt dat de aarde onmogelijk ouder kan zijn dan 10.000 jaar.

d) Fossiele radioactiviteit onhult hoe de aardlagen kort na elkaar ontstonden
Radiohalo’s zijn kleurringen, gevormd om microscopische stukjes radioactief mineraal in bergkristallen. Ze zijn het bewijs van radioactief verval. Geplette Polonium-210 radiohalo’s in aardlagen in Colorado laten zien dat de door evolutionistische aardlagen Jura, Tria en Eoceen zijn ontstaan in slechts enkele maanden na elkaar, en niet in honderden miljoenen jaren zoals evolutionisten graag zien. Dit klopt perfect met het zondvloedmodel. Eveneens toont de C-14 methode van datering door middel van radioactieve stoffen, wanneer de altijd verzwegen toename van radiocarbon wordt meegerekend, dat de aarde zo’n 7000 tot 10.000 jaar oud is (zie paragraaf 7.8).

FEIT: De polonium-210 radiohalo’s in aardlagen in Colorado tonen aan dat de aardlagen Jura, Tria en Eoceen ontstaan zijn in enkele maanden na elkaar, niet in miljoenen jaren zoals evolutionisten graag zien. Dit klopt precies met de gedachte dat een vloed van ongeveer een jaar deze sedimenten afgezet heeft.

e) Er is veel te weinig helium in de lucht
Alle natuurlijke radioactieve elementen produceren helium als ze vervallen. Wanneer dit verval al miljarden jaren aan de gang zou zijn, zoals evolutie veronderstelt, dan zou er enorm veel helium moeten worden gevonden in de atmosfeer van de aarde. De atmosfeer heeft vandaag de dag echter maar 0,05% van het heliumgehalte dat het zou moeten hebben in 5 miljard jaar. Het kleine verlies van helium de ruimte in heeft men meegenomen in de berekening! Dit betekent dat de atmosfeer veel jonger is dan de veronderstelde evolutionaire leeftijd.
Daarnaast heeft een studie gepubliceerd in Journal of Geophysical Research aangetoond dat het helium in zeer diepe rotsen, ontstaan door radioactief verval, nog niet de tijd heeft gekregen om te ontsnappen. En dat terwijl ze miljarden jaren oud zijn volgens evolutionaire datering! De rotsen kunnen slechts enkele duizenden jaren oud zijn gezien de aanwezigheid van helium.

FEIT: Alle radioactieve elementen produceren helium als zij vervallen. Als dit proces werkelijk al miljarden jaren aan de gang zou zijn, zou er véél meer helium in de atmosfeer moeten zijn dan de 0,05% die we vandaag meten (het kleine verlies van helium meeberekend). Dit betekent dat de aarde veel jonger moet zijn.

f) Biologisch materiaal vergaat veel te snel
Natuurlijke radioactiviteit, mutaties en verval zorgen ervoor dat het DNA en ander biologisch materiaal zeer snel verarmen. Metingen naar de mutatiesnelheid van mitochondriaal DNA hebben aangetoond dat de ‘mitochondriale Eva’ (= de eerste vrouwelijke mens) niet 200.000 jaar geleden, maar slechts 6000 jaar geleden leefde. DNA-experts hebben vastgesteld dat DNA niet bewaard kan blijven in een natuurlijke omgeving voor langer dan 10.000 jaar, en toch vindt men intacte dna-informatie in fossielen die volgens evolutie veel ouder zouden zijn: in Neanderthaler-botten, in insecten in amber en zelfs in dinosaurusfossielen. Sommige dinosaurusresten zijn tot grote verbazing van geleerden gevonden met zacht weefsel en bloedcellen. Dit laat zien dat de leeftijden die evolutionisten koppelen aan het ontstaan van de fossielen simpelweg niet mogelijk zijn en dat de fossillatie niet miljoenen, maar duizenden jaren geleden plaatsvond. Daarbij komt dat bacterien die al 250 miljoen jaar zouden bestaan vandaag de dag nog zouden bestaan zonder enige DNA beschadigingen. Dat is onmogelijk in zo’n lange tijdsperiode.

FEIT: Biologisch materiaal vergaat door middel van radioactiviteit en mutaties. Dit gaat in tegen talloze hypotheses van evolutionisten. De mutatiesnelheid van mensen toont aan dat de eerste vrouwelijke mens slechts 6000 jaar geleefd moet hebben; men vind regelmatig dna-materiaal terug in fossielen die miljoenen jaren oud zouden zijn terwijl DNA niet langer intact kan blijven dan 10.000 jaar, enzovoorts.

g) Landbouw is te recent
Volgens evolutionisten leefden mensen 100.000 jaren als jagers tijdens de steentijd voordat ze 10.000 jaar geleden landbouw uitvonden. Archeologische bewijzen tonen echter dat mensen uit de steentijd even intelligent waren als wij. Dat de 4 miljard mensen die toen geleefd hebben in 100.000 jaar nooit ontdekt hebben dat planten door zaden groeien, is ontzettend ongeloofwaardig. Veel logischer is het dat sommige stammen de eerste honderden jaren na de zondvloed de landbouw moesten ‘heruitvinden’.

FEIT: Het is niet geloofwaardig te veronderstellen dat de hypothetische 4 miljard mensen die gedurende 100.000 jaar steentijd leefden nooit landbouw ontdekt zouden hebben. Het tijdsgat is onlogisch groot.

h) De geschiedenis is veel te kort
Volgens evolutionisten ontstonden vanuit apen geleidelijk mensen. Al sinds 4 miljoen jaar geleden hebben aapmensen zich ontwikkeld. Sinds ongeveer 1 miljoen jaar leven latere soorten van aapmensen op aarde. Vervolgens leefde de homo sapiens in de steentijd 100.000 jaar lang voor hij begon te schrijven, en dat was slechts 4000-5000 jaar geleden . Tijdens de steentijd zou de mens primitiever zijn geweest en minder ontwikkeld. Maar van de mens uit de steentijd vinden we vele megalitische monumenten weer die met enorme precisie gemaakt zijn, we vinden rotstekeningen terug met kennis van perspectief zoals men dat pas in de middeleeuwen ontdekte en men hield in de steentijd zelfs de maanstanden in perfectie bij. Alles lijkt erop dat de steentijd een korte periode in de geschiedenis was waarin volkomen ontwikkelde en intelligente mensen bepaalde dingen moesten herontdekken.

In het kort:
DE PREHISTORIE

De prehistorie met haar steentijd, bronstijd en ijzertijd is een uitvinding van darwinisten. Het enige wat we weten is dat er een periode was waarin mensen zich op bepaalde plekken met steen behielpen omdat ze nog geen metalen wonnen. Dat de periodes vele tienduizenden jaren geduurd hebben en dat de mensen in die tijd primitief en behaard waren zijn verzinsels om evolutie aannemelijk te maken. Die aannames hebben de bewijzen tegen zich.

Volgens Creationisten zijn periodes als de steentijd, bronstijd en ijzertijd helemaal geen mondiale, lange periodes. Zij wijzen onder andere op de slechts duizenden skeletten en weinige stenen voorwerpen die gevonden zijn (erg weinig voor 100.000 jaar steentijd). Dat de periodes volgens evolutionisten zo lang waren is niet bewezen (integendeel, zelfs), maar is noodzakelijk op in evolutie van aap tot mens te kunnen geloven! Creationisten halen aan dat de nakomelingen van overlevenden van de vloed een nieuw bestaan opbouwden rond 2500 voor Christus. Alle concreet te dateren vondsten op aarde gaan namelijk nooit verder terug dan die datum en alle eerste beschavingen doken rond die tijd op. Alle menselijke resten van voor de vloed zijn uitgewist door de vloedsedimenten, en we zien boven die vloedlagen de eerste sporen van menselijke beschaving. Sommige groepen die de wereld introkken na de vloed hadden die kennis niet en moesten zich behelpen met stenen voorwerpen. Logisch, want hoeveel families zouden tegenwoordig weten hoe ze de metaal moeten vinden, winnen en smelten tot gebruiksvoorwerpen als ze plots met niets moesten beginnen?

Er is nadrukkelijk geen aanleiding dat de steentijd, bronstijd en ijzertijd mondiaal waren, noch dat de periodes zo lang geduurd hebben als evolutionisten ons leren. De feiten laten zelfs het tegengestelde zien.

Want waarom zou de mens 100.000 jaar gewacht hebben dezelfde technieken die gebruikt worden voor de schitterende rotstekeningen te gebruiken voor het schrijven? De creationistische tijdsindeling is veel logischer. We vinden pas geschreven overlevering rond 2000 voor Christus omdat alle sporen van de tijd voor de zondvloed zijn uitgewist en de oudste rijken op aarde toen pas zijn ontstaan!

Het is absoluut onaannemelijk dat de mens 100.000 jaar primitief heeft geleefd zonder te gaan schrijven of zich verder te ontwikkelen. Hoe snel ontwikkeling gaat is wel te zien aan de laatste 1000 jaar mensheid! Er vanuit gaande dat de mens nog maar zo’n 6000 jaar op aarde is, is het compleet logisch dat de mens tegenwoordig dit technische stadium heeft bereikt, de ontwikkeling is dan geleidelijk gegaan (zie afbeelding). De zondvloed verklaart waarom de beschavingen pas rond 2200 voor Christus opduiken en veelal meteen al konden schrijven.
Maar een nog sterker bewijs dat de indelingen die evolutionisten hanteren totaal onmogelijk zijn, vinden we bij het analyseren van bevolkingsgroei.

FEIT: Dat evolutionisten de steentijd in hun theorie tot 100.000 jaar uitgerekt hebben, heeft maar één reden: het gat tussen aap en mens dichten zodat evolutie aannemelijker is. Er zijn geen wetenschappelijke aanwijzingen dat deze periodes zo lang geduurd hebben, evenmin dat ze mondiaal waren. Mensen uit de steentijd waren bovendien niet minder ontwikkeld dan wij, zo getuigen de vondsten. Ze waren enkel technologisch minder ontwikkeld. Dat zo’n 4 miljard mensen in maar liefst 100.000 jaar al die tijd gewacht zouden hebben te gaan schrijven of metalen te winnen, is gewoon onzin. Het tijdsgat is onlogisch groot en de curve ongeloofwaardig.

Bevolkingsgroei levert het bewijs: evolutionistisch tijdschema is onmogelijk

Hou goed in je achterhoofd wat evolutionisten beweren: al zeker sinds een miljoen jaar leven er aapmensen op aarde, en 100.000 jaar geleden kwam de mensheid in de zogenaamde steentijd. Laten we deze hypothese eens tegen de feiten rond bevolkingsgroei leggen.

A: BEVOLKINGSGROEICURVES TONEN AAN DAT DE STEENTIJD NOOIT 100.000 JAAR HEEFT KUNNEN DUREN

Evolutionisten stellen dat de steentijd 100.000 jaar heeft geduurd en al die tijd zou de bevolkingsgrootte constant zijn gebleven (1-10 miljoen mensen). Het is bekend dat mensen in de steentijd hun doden begroeven met stenen kunstvoorwerpen. Als de steentijd werkelijk 100.000 jaar geduurd heeft en de bevolkingsgrootte in die tijd variëerde van 1-10 miljoen mensen, dan zouden we 4-40 miljard skeletten terug moeten vinden van alle mensen uit de steentijd. Die skeletten zouden tegenwoordig nog te vinden moeten zijn, want veel beenderen die men tegenwoordig vindt wordt een nog vroegere datum toegekend. De stenen overblijfselen van de steentijd zouden we helemaal in enorme aantallen terug moeten vinden. Denk je eens in: 100.000 jaar gebruik van stenen voorwerpen door 1-10 miljoen mensen!

Toch vinden we geen miljarden maar een paar duizend skeletten in de ‘steentijd-lagen’ op aarde en evenmin veel overblijfselen. Uitgaande van die vondsten heeft de steentijd helemáál niet lang geduurd, slechts enkele honderden jaren. Evolutionisten willen alleen zo graag dat de steentijd lang geduurd heeft, omdat het anders evolutie moeilijker mogelijk maakt.

FEIT: Mensen in de hypothetische steentijd begroeven hun doden met stenen kunstvoorwerpen. De steentijd zou 100.000 jaar geduurd hebben en de bevolkingsgrootte variëerde in die tijd van 1-10 miljoen mensen. Als dit werkelijk zo zou zijn, dan zouden we 4 tot 40 miljard skeletten terug moeten vinden van alle mensen uit de steentijd. Toch vinden we geen miljarden, maar een paar duizend skeletten in de ‘steentijd-lagen’ op aarde.

B: BEVOLKINGSGROEICURVES TONEN AAN DAT DE MENS NOOIT 4 TOT 1 MILJOEN JAAR KAN BESTAAN

We hebben het nu alleen nog maar gehad over de bevolkingsgroei gedurende de steentijd.
We kunnen nog verder terug. Volgens evolutionisten is de mens 4 tot 1 miljoen jaar geleden uit een aapachtige ontstaan. Sinds 100.000 jaar loopt de ‘moderne mens’ op aarde rond. Hij kende al die tijd geen anticonceptie en ook geen monogamie. Onder normale omstandigheden zou de populatie exponentieel groeien en de wereld dus al binnen enkele duizenden jaren helemaal overbevolkt moeten zijn. Toch was de aarde een paar duizend jaar geleden nog zeer dunbevolkt. Rond 30 voor Christus leefden in het hele Romeinse Rijk slechts 16 miljoen mensen – evenveel als er nu alleen al in Nederland leven! Hoe kan het dat de bevolking de 100.000 jaar daarvóór niet in aantal gegroeid is en nu de laatste 4000 jaar opeens explosief groeit? Alles pleit voor het gegeven dat de aarde pas rond 2200 voor Christus is (her)bevolkt, en dat is precies de datum die zowel de bijbel als vele andere overleveringen noemen als tijdstip na de zondvloed. De eerste stammen trokken toen Europa in vanuit het Midden-Oosten en trokken langzaam maar zeker de lege wereld in. Zij vermenigvuldigden zich en groeiden in zo’n 4500 jaar tot het aantal dat we nu hebben.

Wanneer we eerlijke berekeningen uitvoeren dan wordt de bijbelse waarheid bevestigd dat iedereen op aarde vandaag de dag een afstammeling is van Noach’s zonen en schoondochters. Wanneer er al veel langere tijd mensen geweest zouden zijn, en er geen wereldwijde vloed geweest is in de dagen van Noach, dan zouden er

•  ondertussen veel meer mensen moeten zijn;
•  veel meer mensen (of aapachtigen) gevonden moeten zijn in de aardlagen.

Laten we het eens op een simpele manier berekenen.
Hoe snel gaat bevolkingsgroei onder normale omstandigheden? Op dit moment groeit de wereldbevolking met 1,7% per jaar gemiddeld. Veel derdewereldlanden (zonder anticonceptie) groeien met 3% per jaar. Daarentegen groeien de westerse landen met ongeveer 0,5% per jaar. Natuurlijk is de groei niet constant. Zo groeide Nederland na de Tweede Wereldoorlog met 1,4% per jaar, maar de tegenwoordige groei ligt op 0,5% (2001). Amerika groeit met 0,6% per jaar (immigratie niet meegerekend). Wanneer we het Joodse volk onder de loep nemen komen we tot een soortgelijk percentage. Het Joodse volk is voortgekomen uit Jakob (ook wel Israel genoemd). Rond 1930 (voor de holocaust) waren er ongeveer 18 miljoen Joden in de wereld. Als we terugrekenen hoe snel het Joodse volk is gegroeid van de tijd van Jakob tot 1930, dan komen we op een groei van 0,44% gemiddeld per jaar.

Kortom: een groei van ongeveer 0,5% per jaar over een lange periode is een aannemelijk percentage , zij het misschien wat aan de lage kant. Nu we weten met welk percentage de bevolking onder normale omstandigheden groeit, kunnen we berekenen welke groeicurve aannemelijker is: de curve uitgaande van de zondvloed, of de evolutionistische curve.

De curve uitgaande van de zondvloed:
Als ongeveer 4500 jaar geleden de zondvloed plaatsgevonden heeft, dan is de bevolking in de periode van de zondvloed (zo’n acht mensen) tot nu (6 miljard mensen) gemiddeld met nog geen 0,5% per jaar toegenomen. Dat is wat we mogen verwachten van een normale, gemiddelde bevolkingsgroei.

De evolutionistische curve:
Laten we nu even uitgaan van het evolutionaire model. Evolutionisten beweren dat de mens zo’n miljoen jaar geleden is ontstaan uit een aapachtige. Wanneer de bevolkinggroei slechts 0,01% per jaar geweest zou zijn (en dat is extreem weinig), dan nog zouden er vandaag zo’n 10 43 mensen zijn; een getal met 43 nullen!

Deze simpele rangschikking van feiten laat zien dat het bijbelse model, met een zondvloed rond 2500 voor Christus, véél aannemelijker is dan het evolutionaire model. Sterker nog, het evolutionaire model is ronduit onmogelijk. Zeker aangezien volken zonder anticonceptie en monogamie nog sneller zullen groeien dan met 0,5% per jaar. De groeicurve gerekend vanaf 2500 voor Christus tot nu is een aannemelijke, biologische correcte curve; de evolutionaire curve is volkomen ongeloofwaardig. En zelfs als die curve wel zou kloppen, dan zouden we massa’s met skeletten van (aap)mensen moeten vinden in de aardlagen – namelijk de fossielen van 1 miljoen jaar mensheid! Er is echter nog nooit een overtuigende aapmens gevonden in de aardlagen. De enige zogenaamde aapmensen die men gevonden heeft zijn wat bij elkaar geraapte stukjes schedels die men op fantasierijke wijze gereconstrueerd heeft (zie hoofdstuk 2)!
Mensen die koste wat kost willen vasthouden aan de evolutionaire tijdindeling opperen de hypothese dat vanwege ziekte, hongersnood en oorlog het bevolkingsaantal nagenoeg constant bleef gedurende de meeste tijd. Dit betekent dat de mensheid gedurende het grootste gedeelte van zijn veronderstelde geschiedenis heeft geleefd op het randje van uitsterven. Hoe geloofwaardig is dit?

Soms wordt ook de wet van Malthus wordt soms als argument aangehaald: de groei van de bevolking gaat sneller (namelijk exponentieel) dan de groei van de bestaansmiddelen (die groeit linear), wat uiteindelijk massale sterfte tot gevolg heeft. Dat deze wet gebruikt wordt ter verdediging van het evolutionaire model is begrijpelijk, maar eerlijke beschouwing kan niet anders dan uitwijzen dat het argument niet sluitend is. Zelfs als het echt zo is dat om die reden de bevolking door zulke massale sterftes ingekort is, dan nóg moeten we de miljarden skeletten vinden van de miljoen jaar dat de mensheid leeft, of op z’n minst van alle doden van zulke sterftes. We hebben het over een miljoen jaar mensheid! De praktijk wijst dus uit: de bevolking kan niet langer dan zo’n 5000 jaar aan het groeien zijn.

FEIT: De bevolkingsgroeicurves tonen aan dat evolutie onmogelijk is. Er kan onmogelijk een steentijd van 100.000 jaar geweest zijn zonder miljarden skeletten achter te laten. Als de mens een miljoen jaar geleden uit een aapachtige ontstond, en we uitgaan van een extreem laag groeipercentage (0,01% per jaar), dan nog zouden er vandaag zo’n 1043 mensen zijn; een getal met 43 nullen! Massale sterftes bieden geen argument, want dan zouden we nog steeds miljarden skeletten moeten vinden. En die vinden we helemaal niet.

En… als er al sinds 4 miljoen jaar geleden aapmensen op aarde rondlopen, moeten we ONGEKEND HOGE AANTALLEN aapmensskeletten terugvinden. De bodem moet er letterlijk vol mee liggen. Men heeft de aardlagen al grotendeels uitgekamd en niet meer gevonden dan enkele zeer discutabele aapmensskeletten, waarvan veel geleerden niet geloven dat het aapmensen waren. Evolutie is grote kolder.

C: BEVOLKINGSGROEICURVES TONEN AAN DAT VOLKEN VEEL KORTER OP CONTINENTEN LEVEN

Tenslotte kunnen we aantonen dat het evolutionistische tijdsmodel niet kan kloppen als we de bevolking van bepaalde continenten gaan onderzoeken. Neem bijvoorbeeld de geschiedenis van de Aboriginals van Australië. Evolutionisten zeggen tegenwoordig dat zij al minimaal 40.000 tot 60.000 jaar op het continent leven. Het hangt er overigens wel sterk vanaf welke evolutionist je voor je hebt; de schattingen lopen met tienduizenden jaren uiteen (dat het schattingen zijn toont al aan dat men zich niet op controleerbare feiten beroept). De verhalen die de Aborginals zelf vertellen laten echter iets heel anders zien: veel Aborigine-stammen vertellen over de grote vloed die over de aarde kwam en hun ontstaan als volk na die tijd. Maar waar het nu om gaat is dat de bevolkingsgrootte van de Aboriginals bewijst dat zij onmogelijk al 60.000 jaar op het continent kunnen leven. Want toen in 1788 de blanke kolonisten voet aan land zetten, waren er slechts 300.000 Aboriginals in Australië. In Tasmanië leefden zelfs maar 4000 aboriginals. Dit is extreem weinig voor 60.000 jaar ontwikkeling – zonder anticonceptie – op een enorm continent!
Als we ervan uitgaan dat de eerste mensen (laten we uitgaan van een zeer klein aantal: 20 man) die zich op Australië vestigden kort na de zondvloed aankwamen (rond 2000 voor Christus), dan zouden zij een groeipercentage van 0,28% per jaar nodig gehad hebben om in tussentijd tot 300.000 mensen te komen. Dat is nog een vrij laag groeipercentage. Maar let nu goed op: als de Aboriginals al 60.000 jaar op het continent leven en met slechts 0,28% per jaar g egroeid zouden zijn, dan zou dat meer mensen geproduceerd hebben dan er atomen in het Melkwegstelsel zijn!

Ook hier leggen argumenten zoals massale sterfte, hongersnoden of andere rampen geen enkele gewicht in de schaal. Als de bevolking in die 60.000 jaar zo vaak door hongersnoden werd uitgedund, moeten we gigantisch veel skeletten terugvinden. En die vinden we niet.

FEIT: De bevolkingsgrootte van de Aboriginals toont onomstotelijk aan dat de evolutionistische datering onmogelijk is en dat de mensheid zich nog maar enkele duizenden jaren over de aarde verspreid heeft. Als de Aborinals werkelijk al 60.000 jaar op hun continent leven, en we uitgaan van een zeer laag groeipercentage (0,28% per jaar), dan zou dat nog steeds meer mensen hebben voortgebracht dan er atomen in het Melkwegstelsel zijn. Uitgaande van dat dit volk sinds 2000 v.C. op het continent leeft, dan klopt de bevolkingsgroei tot vandaag perfect.

Met andere woorden: de theoretisch-evolutionistische datering van tijdperken die wereldwijd gepropagandeerd wordt, is nutteloos en wordt enkel toegepast om de evolutietheorie recht te praten. Ik zal verderop eengedetailleerde uitleg geven over de fundamenten onder de evolutionistische dateringsmethoden.

Continental drift – catastrofaal of geleidelijk?
Wat nog wel interessant is om aan te halen, is de continental drift. Alle wetenschappers zijn het erover eens dat de continenten ooit aan elkaar zaten en samen één oercontinent vormden (vaak Pangea genaamd). Evolutionisten geloven dat dit een stabiele en geleidelijke beweging was in miljoenen jaren. Creationisten geloven dat de continenten tijdens de vloedcatastrofe uit elkaar gebroken zijn. Zij wijzen er vaak op dat Genesis zegt dat de aarde als één continent geschapen is (Genesis 1:9). Volgens Genesis brak de aardkorst open tijdens de zondvloed. Geologen hebben inderdaad een enorme breuklijn gevonden tussen de continenten, in de Atlantische Oceaan. De vloed heeft hele aardvlakken opgeschoven en zo’n druk op de (nog vloeibare) sedimenten uitgeoefend dat er op de breuklijnen van de continten berglandschappen ontstonden (zoals de Andes, de Alpen, de Pyreneeën, de Himalaya, etc).

Het was in de jaren ‘60 van de vorige eeuw dat onder wetenschappers bekend werd dat de continenten van elkaar wegdreven. Het is interessant hierbij te noemen dat een eeuw daarvóór (in 1859) Antonio Snider, een creationist, als eerste horizontale verplaatsing van de continenten ontdekte en dit zag als een resultaat van de catastrofes tijdens de zondvloed! Volgens de bijbel (Genesis 7:11) braken de fonteinen van de diepte open tijdens de vloed, wat wijst op enorme vulkanische uitbarstingen waarbij de continenten mogelijk van elkaar gebroken werden.

Wat is het effect van zo’n catastrofale uiteendrijving? Een simpel voorbeeld kan dat aantonen. Als we een steen in het water gooien, onstaat er een enorme klap en ontstaat er een waterverplaatsing vanuit het centrum waar de steen insloeg; in de minuut daarna neemt de kracht van de uiteenzetting van het water langzaam af totdat er bijna geen beweging meer meetbaar is. Nét zo zullen de catastrofes van de zondvloed de continenten met geweld eensklaps uit elkaar gespleten hebben op de breukvlakken van de aardkorst. De continentale verplaatsing die we tegenwoordig meten is enkel een zeer klein overblijfsel van de enorme klap die er tijdens de zondvloed is geweest. Evolutionisten, die van oudsher niet in invloed van massale catastrofes geloofden, beweren dat de continentale uiteendrijving altijd met dezelfde langzame snelheid is gegaan. Zij meten de kleine continentale verplaatsing die er nu is en rekenen die terug; zo komen zij tot miljoenen jaren. Uitgaande van dat de zondvloed voor de verplaatsing zorgde, dan is het zeer aannemelijk dat die catastrofe zo’n kleine 5000 jaar geleden plaatsvond.

Simpel gezegd: als de uiteendrijving ontstond door een catastrofe, dan kom je op heel andere dateringen dan wanneer je uitgaat van de gedachte dat de verplaatsing altijd gelijk is geweest.

Welk model is nu aannemelijker? Het evolutionistische (namelijk: in miljoenen jaren tijd zijn de continenten afgedreven en ontstonden de bergketens), of het creationistische (namelijk: tijdens de wereldwijde overstroming zijn de continenten met geweld opengebroken en door de continentale druk op de sedimenten ontstonden de bergketens)?

We haalden eerder in dit onderzoek al aan dat op de toppen van de grootste bergketens gefossileerde zeedieren en schelpen gevonden worden, wat een sterk argument is dat deze ketens tijds het vloedgeweld zijn ontstaan. Bovendien kunnen berglandschappen zoals de Himalaya enkel goed ontstaan als de sedimenten nog vloeibaar zijn terwijl ze worden ingedrukt. Het ontstaan van de Himalaya of de Andes vanuit evolutionistisch perspectief loopt tegen lastige problemen op. De gedachte dat de continenten uit elkaar zijn gedreven door vloedgeweld is meer in lijn met de vondsten van fossielen en de geologische aard van de bergketens.

De verbazende gelijkenis van sedimentaire vloedlagen in het noordoosten van de Verenigde Staten en die van Groot Brittannië en de afwezigheid hiervan in de Noord-Atlantische Oceaan suggereert dat de continentale scheiding is gebeurd aan het eind van de vloed. Het idee dat de continenten zijn afgedreven met slechts enkele centimeters per jaar wordt bovendien niet onderschreven door de geologische data. Die tonen aan dat een catastrofale oorsprong nodig is geweest voor de continentale uiteenzetting (meer informatie hierover biedt “Continental Drift, Plate Tectonics, and the Bible” door Stuart E. Nevins, master of science in geologie van het ICR.)

Satellietbeelden tonen de enorme breuklijn tussen de continenten op de zeebodem. Volgens de bijbel brak de aardkorst open tijdens de vloed. De continenten zijn door de catastrofale werking uit elkaar gedreven en drijven tot op vandaag nog in mindere mate af.

FEIT: Dat de continental drift een proces van miljoenen jaren is, heeft de wetenschap zonder bewijsmateriaal aangenomen. Wanneer de continentale uiteendrijving voortkomt uit een catastrofe zoals de zondvloed, dan heeft het namelijk geen zin de kleine ‘nabeweging’ die we nu meten terug te extraheren tot een startdatum. Bovendien zijn er enorme gebergtes op de continentale grenzen ontstaan, en dat kan alleen effectief gebeuren als de aardlagen tijdens de vorming nog zacht waren. De zeefossielen, oesters en schelpen op de hoogste toppen van de Andes en Himalaya tonen het definitieve bewijs dat de berg tijdens de vorming onder water stond of uit water omhoog is geduwd.

Een grondige analyse van de evolutionistische dateringsmethodes
Als er geen enkel letterlijk bewijs is dat de aarde miljoenen jaren bestaat, hoe komen evolutionisten dan tot miljoenen jaren? Waarom worden nieuwe vondsten dan altijd in het nieuws gebracht alsof ze van honderdduizenden jaren geleden zijn? Meestal als ik met mensen debateer over evolutie, dan wordt er aangehaald: ‘Maar men vindt tegenwoordig aardlagen terug van miljoenen jaren oud. En dat klopt heus wel, want dat wordt wetenschappelijk vastgesteld.’ Deze gedachtegang is begrijpelijk. Wetenschappers hebben zeer veel verstand van zaken en weten daarom echt wel waar ze het over hebben. Als zij zeggen dat een aardlaag een miljoen jaar oud is, zal het toch echt wel zo zijn? Waar de meeste mensen echter aan voorbijgaan is het feit dat alle wetenschappers, hoe objectief ze ook trachten te zijn, altijd werken vanuit bepaalde eerder geaccepteerde rekenmodellen, diagrammen en hypothetische aannames. Dat is helemaal het geval bij dateringen.

In plaats van te zeggen: ‘het is bewezen dat de aarde miljoenen jaren oud is, punt’, moeten we dieper zoeken en ons allereerst afvragen: ‘hoe komt men dan aan die miljoenen jaren en welke schema’s en diagrammen gebruikt men daarvoor?’ Zonder eerst de gereedschappen te onderzoeken kunnen we niets zeggen over de betreffende uitkomst.
De wijze waarop de resultaten van dateringen in de media gebracht worden doet ons tegenwoordig denken dat het ‘al lang bewezen is’ dat de aarde miljarden jaren oud is, maar niets is minder waar. De technieken van oudheidsbepalingen zijn in feite verkapte cirkelredeneringen. Alle door mensen ontwikkelde dateringsmethodes zijn feilbaar en afhankelijk van onbewijsbare aannames over het verleden. Op welke manier men gesteentes of voorwerpen ook wil dateren, het systeem is altijd gebaseerd op een onbewezen schema dat men ooit heeft aangenomen .

FEIT: Dateringsmethodes zijn nooit objectief. Alle door mensen ontwikkelde dateringsmethodes zijn feilbaar en afhankelijk van onbewijsbare aannames over het verleden. Op welke manier men gesteentes of voorwerpen ook wil dateren, het systeem is altijd gebaseerd op een onbewezen schema, diagram of rekenmodel dat men ooit heeft aangenomen.

Laten we eens kijken naar de belangrijkste methoden en modellen waarmee de evolutionistische wetenschap vondsten dateert. We analyseren de methodes door ons het volgende af te vragen:

•  welke aannames zijn vooraf gedaan en vanuit welke hypotheses werkt men?
•  zijn er bewijzen voor het schema of diagram waarin men vondsten raamt?
•  in hoeverre is de methode in lijn met uitgevoerde onderzoeken naar geldigheid?
•  in hoeverre zijn de uitkomsten consequent en bovendien in lijn met andere dateringsmethodes?

A. De gidsfossielmethode

De eerste moderne geoloog was James Hutton. In 1785 presenteerde hij een artikel met de titel Theory of the Earth aan de Royal Society te Edinburgh. In dit artikel beschreef hij zijn theorie dat de aarde veel ouder moet zijn dan tot dan toe was aangenomen, omdat die tijd wel nodig moest zijn om de bergen te eroderen en om sediment op te bouwen op de bodem van de zee, zodat nieuwe landmassa’s werden gevormd. Hutton besefte niet dat alles wat hij noemde perfect te verklaren is door catastrofale werkingen zoals een wereldwijde vloed. Hutton kóós ervoor te geloven in een aarde die al miljoenen jaren bestond. Met andere woorden: uitgaande van de vooronderstelling dat er wel sprake moest zijn van vele miljoenen jaren is men de aardlagen gaan indelen in tijden. Het hele tijdsdiagram van de evolutieleer die later opkwam, is daarom gebaseerd op die – onbewezen – aanname!

Nadat men dit tijdsdiagram ontwikkeld had, is men bepaalde fossielen gaan aanwijzen als ‘gidsfossielen’ of ‘indexfossielen’. Een gidsfossiel is een fossiel dat slechts op enkele niveaus van de aardlagen voorkomt. Het wordt gezien als typisch voor een bepaalde aardlaag en dus typisch voor een bepaalde tijdsperiode in de geschiedenis (ervan uitgaande dat de aardlagen in miljoenen jaren zijn ontstaan). Als men zo’n fossiel in een ander gebied tegenkomt kan men hiermee deze laag ‘dateren’. Deze ouderdomsbepaling is dus, kort weergegeven:

a) men geloofde dat er miljoenen jaren nodig waren voor evolutie;
b) men heeft op basis daarvan de aardlagen ingedeeld in miljoenen jaren en gidsfossielen aangewezen;
c) als men een gidsfossiel tegenkomt wordt deze in het tijddiagram geplaatst, waardoor de aardlaag een datum krijgt.

Het is duidelijk een volledige cirkelredenering. Er is géén bewijs dat de aardlagen werkelijk zo oud zijn. De datum van aardlagen wordt herleid op basis van fossielen waarvan de ouderdom een theorie is!

Dr. A.J. Monty White bracht dit al aan het licht in zijn boek Hoe oud is de aarde?:

“Hoe weet de geochronoloog [hij die de geologische lagen indeelt] nu hoe hoe oud het indexfosiel is? Het antwoord op deze vraag is: evolutie. Maar dan is er sprake van tautologie of cirkelredenering: de gesteenten worden gedateerd door indexfossielen, waarvan de ouderdom bepaald is op grond van evolutie. Aan de andere kant ligt het bewijs van evolutie in de ouderdom van de gesteenten, waarin de fossielen gevonden worden. Dus de basis van gesteentedatering is evolutie en het enige bewijs van evolutie is de ouderdom van de gesteenten waarin de fossielen gevonden worden. Dus kunnen de fossielen beslist geen methode van gesteentedatering leveren die voldoet.”

De gidsfossielmethode is een petitio principii , oftewel een bewijsgrond die als reeds bewezen wordt gebracht, terwijl die zelf eerst bewezen moet worden. Niet voor niets lopen wetenschappers van tijd tot tijd op tegen grote problemen.

Zo bracht dr. Melvin Cook afgelopen eeuw een bijzondere vondst aan het licht. In 1968 ondekte William Meister in Utah, USA afdrukken van een schoen (zie afbeelding). De afdrukken zijn geplaatst in een grondlaag die aangegeven wordt als het Cambrium . Die laag is zeker 5 miljoen jaar oud, uitgaande van het evolutieschema. Dat er een schoenafdruk in de laag zit is op zichzelf al onmogelijk volgens evolutie, want de mens zou er toen nog helemaal niet zijn. Maar alsof dat nog niet genoeg is, zaten er onder de schoen vetrapte trilobiten ; gidsfossielen van voorhistorische schaaldiertjes die 350 miljoen jaar geleden zouden zijn uitgestorven! Dat houdt in dat de schoenafdrukken afgezet zouden moeten zijn tussen de 5 en 350 miljoen jaar geleden, toen de mens nog helemaal niet op aarde zou zijn. Eerst werd nog verondersteld dat het misschien helemaal niet om een menselijke afdruk zou gaan, maar in hetzelfde jaar vond Mr. Dean Bitter nog twee van zulke schoenafrukken in hetzelfde gebied. Bij deze afdrukken werden geen trilobiten vertrapt, maar een kleine trilobiet werd wel gevonden in de buurt van de afdrukken in dezelfde rots. Dit laat zien dat de geschoeide wandelaar een tijdsgenoot van de trilobiet was.

Dat er zulke grove fouten voorkomen is gewoon niet goed te praten. Als je in evolutie gelooft zijn uitzonderingen in feite onmogelijk. Als een aardlaag 350 miljoen jaar geleden gevormd is kunnen er geen mensensporen inzitten. Maar zulke fouten zijn heel logisch als de aardlagen zijn ontstaan door de zondvloed. De lagen en de fossielen zijn dan helemaal niet representatief voor een periode; voetstappen kunnen dan prima voorkomen naast trilobiten. Overigens beschouwen evolutionisten de vondst, die ‘the Meister print’ genoemd wordt, als een pseudo-afdruk. Dr. Cook, die de vondst bevestigde, was namelijk geen geschoolde paleontoloog. Door de afdruk als onwetenschappelijk af te doen werd de discussie gesloten, maar, zoals Cook het zelf verwoorde: ‘De afdruk spreekt voor zichzelf.’

Voor een diepere studie omtrent de gidsfossielmethode en de cirkelredenering, verwijs ik naar Circular Reasoning in Evolutionary Biology door Henry Morris, Ph.D..

FEIT: De gidsfossielmethode werkt vanuit een reeks onbewezen aannames en is daarom een cirkelredenering. Men geloofde dat er miljoenen jaren nodig waren voor evolutie; men heeft op basis daarvan een tijdschema opgesteld bestaande uit miljoenen jaren en die toegepast op de aardlagen. Vervolgens heeft men gidsfossielen aangewezen die slechts in bepaalde lagen voortkomen. Tegenwoordig berekent men de oudheid van gesteentes via die gidsfossielen. Het fundament van de dateringsmethode is níet een objectief onderzoek, maar een reeks hypothetische aannames.

B. Radiometrische datering en de C-14 methode

Radiometrische datering is een zeer bekende methode waarin men de oudheid van gesteenten of fossielen dateert door de hoeveelheid radioactieve stoffen te meten. Ik zal eerst ingaan op radiometrische datering van gesteenten, en daarna op de C-14 methode voor de datering van (fossiele) organismen.

RADIOMETRISCHE DATERING VAN GESTEENTEN
Bij datering van gesteenten wordt de hoeveelheid radioactiviteit gemeten van de isotopen in de gesteentes en aardlagen. Als een gesmolten (vulkanisch) gesteente afkoelt en vast wordt, dan begint het radioisotoop dat opgesloten zit in de rots te vervallen van het moederelement in zogenaamde dochterelementen . Zo vervalt het moederelement kalium in de loop der tijd in het dochterelement argon , en uranium vervalt in helium . Door de hoeveelheid moederelement en dochterelement in een rots vast te stellen, kan men de leeftijd benaderen.

De hele radiometrische methode is echter gebaseerd op drie ontzettend belangrijke aannames, namelijk:
•  men gaat er vanuit dat de vervalsnelheid van moederelement in dochterelement constant is, en nooit sneller of langzamer gaat
•  men gaat uit van een bepaalde hoeveelheid moederelement die aanwezig was bij de vorming
•  er wordt vanuit gegaan dat het systeem gesloten is gebleven, oftewel dat er geen moeder- of dochtelement toegevoegd is van buitenaf.

Deze drie aannames blijken alledrie erg fragiel. Er zijn blijken vele factoren van invloed te kunnen zijn op de vervalsnelheid van radioactiviteit. Evenzo weten we niet hoeveel er van het moederelement aanwezig was tijdens de vorming. Het gaat te ver deze complexe zaken in deze studie in detail te behandelen, maar er zijn wel vele voorvallen aan te halen van radiometrische dateringen die een aantoonbaar onjuiste uitkomst gaven. We zullen er een paar behandelen.

In 1801 barsste een vulkaan op Hawaii uit. Het vulkanisch gesteente werd later gedateerd via de kalium argon methode. Uitkomst van de test was dat het gesteente maar liefst 160 miljoen tot 3 miljard jaar oud moest zijn! En dat terwijl het 100% zeker was dat het gesteente is ontstaan in 1801.

In 1980 barsste Mount St. Helens uit in Washington. Men heeft 10 jaar later het vulkanisch gesteente gedateerd. Uitkomst was dat het gesteente 0,35 tot 2,8 miljoen jaar oud was. En het was nog maar 10 jaar oud!

Een andere manier om de juistheid van de radiometrische datering te controleren is het vergelijken van de ouderdommen die verkregen worden voor hetzelfde gesteente met verschillende methoden . Ook hierbij stuiten we op enorme verschillen. Bijvoorbeeld de datering van basaltgesteente in Nigeria:

– via conventionele geologie: 2-26 miljoen jaar
– via splijtingssporen: minder dan 30 miljoen jaar
– via kalium-argon: 95 miljoen
– via uranium-helium: 750 miljoen jaar
Natural Physical Science , Vol. 232, 1971)

Dit soort voorvallen laat zien dat radiometrische datering van gesteentes totaal onbetrouwbaar is. Er zijn te veel factoren die de vervalsnelheid van radioactiviteit in gesteentes kunnen versnellen. Er is hoe dan ook géén regel in te ontdekken zoals men onderwijst. We kunnen daarom niets ontlenen aan uitkomsten van deze methodes van datering. Overigens werden gesteentes al gedateerd voordat men radiometrische datering ging toepasssen. De gidsfossielmethode was altijd de meest algemene methode. De geologische indeling en de benaderde leeftijden van alle fossielhoudende strata waren namelijk al uitgewerkt op basis van evolutie , lang voordat iemand ooit gehoord had van radioactieve datering! Dit bevestigt eveneens de cirkelredenering van het evolutionistisch dateren.

Trouwens, data die tegen de theorie ingaan worden vaak volkomen genegeerd. De archeoloog professor Brew legde uit over de methode van radiometrische (in dit geval, C-14) datering: “Als een C-14 datum in onze theorieën past, nemen we hem op in de tekst. Als de datum onze theorieën niet ernstig tegenspreekt, plaatsen we hem in een voetnoot. En als de datum compleet buiten onze theorie ligt, verwerpen we hem.” (Bron: The Revised Quote Book, Creation Science Foundation, Sunnybank (Queensland), 1990, p. 23.)
Met andere woorden: men beslist op basis van evolutionisme hoe oud iets moet zijn, en zoekt daar vervolgens resultaten van onderzoeken bij die in die theorie passen – de rest wordt simpelweg verzwegen. Hieruit blijkt de pijnlijke realiteit dat wetenschap niet zo objectief en zelfcorrigerend is als vaak verondersteld wordt.

FEIT: De standaard radiometrische dateringsmethode is gebaseerd op onbewijsbare aannames over de vervalsnelheid, de hoeveelheid moeder- en dochterelement en de geslotenheid van het systeem. De dateringsmethode kan alleen betrouwbaar zijn als we al deze ‘inputs’ zeker weten. In de praktijk blijken vele factoren van invloed te kunnen zijn op de uitkomst van de datering.

FEIT: Praktijkvoorbeelden hebben aangetoond dat de datering van gesteentes zeer onbetrouwbaar is. De gesteentes die ontstonden door een vulkaanuitbarsting in 1801 op Hawai werden via radiometrische datering gedateerd op 160 miljoen tot 3 miljard jaar ouderdom. Tien jaar na de uitbarsting van de Mount St. Helens in Washington dateerde deze methode het gesteente op 0,35 tot 2,8 miljoen jaar oud!
Tenslotte wijst de vergelijking met andere dateringsmethodes uit dat de verschillende dateringen van eenzelfde gesteente honderden miljoenen jaren kunnen verschillen. Evolutionisten publiceren echter enkel die data die in hun theorie passen.

DE C-14 METHODE
Een andere veel gebruikte methode van radiometrische datering, is de Carbon-14 (C-14 of radiocarbon) methode die toegepast wordt op (fossielen van) organismen. De Carbon-14 methode gaat uit van hetzelfde principe, maar wordt niet toegepast op gesteentes, maar op levende wezens. Deze methode werkt als volgt: in de atmosfeer van de aarde ontstaat Carbon-14 (radiocarbon) onder invloed van kosmische straling. Alle levende wezens op aarde krijgen radiocarbon binnen via de lucht die zij inademen. Omdat radiocarbon zo goed vermengd is met gewoon carbon (Carbon-12) in de atmosfeer, bevatten alle levende wezens op aarde dezelfde verhouding C-12 / C-14. Of je dus een monster neemt van een boomblad of een stuk uit je lichaam, beiden bevatten dezelfde verhouding C-12 / C-14. Je kunt het vergelijken met limonadesiroop die je in een bak water doet en goed mengt. Op welke plek je ook wat uit de bak haalt, de verhouding limonade/water is overal gelijk. Echter, als C-14 gevormd is begint het te vervallen in het dochterelement N-14 met een snelheid die te meten is. In onze levende lichamen is dat niet te meten, omdat de C-14 constant wordt aangevuld. Maar als een organisme sterft, dan stopt de C-14 toevoer. Als je in dode organismen het C-14 gehalte meet, kun je dus terugrekenen wanneer het stierf.

Het grote probleem met de C-14 methode is dat men aanneemt dat het gehalte radiocarbon in de atmosfeer altijd gelijk is geweest en dat daardoor het gehalte C-14 tijdens het sterven van een organisme altijd hetzelfde is. De laatste eeuwen is het gehalte wel aangepast vanwege de uitstootgassen van industrie, maar men gaat er vanuit dat de tijd daarvoor het C-14 gehalte altijd constant is geweest. De reden hiervoor, zal ik uitleggen.

De geniale uitvinder van de C-14 methode, W.F. Libby, wist dat C-14 de atmosfeer binnengaat en de atmosfeer weer verlaat . Dit is een soort kringloop. Omdat Libby geloofde dat de aarde miljoenen jaren oud was, dacht hij dat er voldoende tijd was geweest voor het systeem om in equilibrium (evenwicht) te komen. Dat betekent dat hij geloofde dat C-14 in evengrote hoeveelheid de atmosfeer binnengaat als uitgaat. Berekeningen tonen aan dat het systeem in 30.000 jaar in equilibrium gekomen zou zijn, en omdat de aarde véél ouder was, zou dit al lang gebeurd zijn.

Maar had Libby gelijk met deze aanname? Verliet C-14 het systeem werkelijk met dezelfde hoeveelheid als dat het binnenkwam? In Libby’s tijd wezen metingen en berekeningen uit dat C-14 het systeem 12-20% sneller binnenkwam dan verliet. Dit creëert de mogelijkheid te berekenen hoe lang geleden het systeem is ‘aangezet’, en dat kan niet al te lang zijn. De atmosfeer is zich namelijk langzaam aan het ‘opvullen’ met C-14, zoals in een badkuip waar het water sneller instroomt dan uitstroomt!

Libby wist dat als deze berekeningen correct waren, dat zou betekenen dat de atmosfeer jong is, dus verwierp hij de resultaten en stelde dat het experiment niet kon kloppen! Libby had niet de bedoeling de zaak te vervalsen of feiten te verzwijgen. Hij was alleen zo doordrongen van de evolutionistische tijdsaannames, dat hij feitelijke uitkomsten uit onderzoeken niet kon aannemen. Dit laat zien hoe sterk evolutionisten de hypotheses boven de feiten stellen. Hoe dan ook, Libby stelde dat het C-14 gehalte gelijk moest zijn geweest in de geschiedenis omdat de aarde miljoenen oud moest zijn, en op die aanname is de C-14 methode gebaseerd. En vergis je niet, deze aanname is van onvoorstelbaar grote invloed op de berekeningen.

Berekeningen in de tijd van Libby zelf wezen dus al uit dat het C-14 gehalte niet constant kon zijn geweest, maar latere berekeningen toonden een nog schokkendere werkelijkheid. Jammer genoeg voor de massa’s aanhangers van een oude aarde, tonen de studies van beroemde atmosferische physici zoals Suess en Lingenfelter aan dat C-14 het systeem maar liefst 30-32% sneller binnengaat dan het uit het systeem verdwijnt!

Daarnaast blijkt uit metingen van het magnetische veld van de aarde eveneens dat het C-14 gehalte niet constant is geweest. Het gemeten exponentiëel verval van het magnetische veld van de aarde, zoals beschreven door Dr. Thomas Barnes, laat zien dat het magnetische veld toeneemt, hoe verder we teruggaan in de geschiedenis. Een sterker magnetisch veld betekent ook meer bescherming tegen kosmische straling, waardoor ook veel minder Carbon-14 in de atmosfeer zou zijn geweest. Dit betekent dat we in oudere aardlagen altijd op lagere radiocarbongehaltes stuiten en dat daardoor de leeftijden exponentiëel ouder vastgesteld worden, hoe verder we terug gaan in de tijd. Met andere woorden: hoe ouder een opgegraven organisme is, hoe groter de daterings-error is, aangezien het C-14 gehalte altijd groeiende is geweest. Besef je goed dat deze bewering gedaan wordt op basis van meetbare en controleerbare wetenschappelijke informatie , niet op een creationistische vooronderstelling. Het zijn de evolutionisten die informatie negeren.

Nu we het percentage weten waarmee het gehalte C-14 in de atmosfeer toeneemt, en we weten wat de huidige gehalte is, kunnen we berekenen hoe oud het systeem is. Wanneer we het C-14 gehalte terugrekenen, komen we op een limiet van zo’n 7000 tot 10.000 jaar! Dit gaat in tegen alle evolutionaire veronderstellingen, maar is een krachtige bevestiging van schepping en zondvloed. Maakt dit niet voor eens en voor altijd duidelijk waarom evolutionisten de eerder gedane foutieve aannames angstvallig weigeren te verwerpen of heroverwegen?

Dit is nog niet alles. Dr. Robert Whitelaw heeft maar liefst 15.000 gepubliceerde datums die verkregen waren op basis van de C-14 methode gecorrigeerd door de procentuele toename door de eeuwen mee te berekenen. Deze heeft hij vervolgens opgedeeld in blokken van 500 jaar. Onderstaand diagram toont het resultaat:

Resultaat van het onderzoek van Dr. Robert Whitelaw, overgenomen uit ‘Carbon-14 dating – explained in everyday terms’ door Dr. Carl Wieland.

Van organismen die rond 6000 jaar geleden leefden, zijn er een redelijk aantal gevonden. Organismen van vóór 5000 jaar geleden zijn in nog grotere mate gevonden. Maar na 5000 jaar geleden zien we opeens een enorme terugval in organismen: de zondvloed . Na de vloed was de hoeveelheid organismen namelijk ernstig verlaagd. In de millenia daarna zien we dat de hoeveelheid organismen weer langzaam maar zeker toenam: de herbevolking van zowel plant en dier na de vloed. Wanneer we de C-14 methode dus met de juiste correctie hanteren, zien we dat dit een schepping en zondvloed volkomen onderschrijft.

Overigens is het goed hier een kleine kanttekening bij te plaatsen. Zoals we gezien hebben zijn de geologisch-evolutionistische tijdsperiodes (zoals Cambrium, Krijt, Jura, Permia) hypothetisch en onbewezen, hoewel ze wel gehanteerd worden. Maar ondanks deze hypothetische berekeningen erkennen meer en meer wetenschappers wél dat er een gigantische catastrofe of zelfs meerderen zijn geweest; een uitgangspunt dat zij lange tijd niet wilden erkennen. In National Geographic 198 van 2000 legt J.H. Hoffmann uit in When life nearly came to an end: “Ongeveer 250 miljoen jaar geleden, aan het eind van het Permian tijdperk, was er iets dat zo’n 90% van de organismen op aarde doodde. Minder dan 5 procent van de zeedieren overleefde. Op het land overleefde minder dan een derde van de grote landdieren het. Nagenoeg alle bomen stierven.” Hoewel wetenschappers deze ramp dateren op 250 miljoen jaar geleden, komen ze dicht bij de waarheid rondom de wereldwijde catastrofe.

Concluderend: omdat de ‘orthodox-evolutionistische’ geologische wetenschap werkt vanuit de aanname dat de hoeveelheid C-14 altijd constant is geweest, en er bewijzen zijn dat die toenam gedurende de geschiedenis, kunnen we deze methode niet vertrouwen. De hele C-14 methode zoals ontwikkeld door Libby moet daarom drastisch bijgesteld worden aan de feiten. Zolang dat niet gebeurd is, is de methode onbruikbaar. Maar omdat de miljoenen jaren die er uitrollen goed in de evolutionistische visie passen, verwaarloost men de uitkomsten van deze onderzoeken. Sterker nog, om constistent te blijven zullen wetenschappers als het om dateringen van andere wetenschappen gaat ook die methode handhaven die de vroegste data voortbrengen (zoals bij kosmologie, astronomie en biologie), omdat anders het ene wetenschappelijke vlak in strijd komt met het andere. Komt ergens een zeer recente datum uit, dan moet dat wel verkeerd zijn en wordt het verworpen (een herhaling van de Libby-denkwijze, dus) Dit werkt nog ergere cirkelredeneringen uit!

FEIT: De uitvinder van de C-14 methode, Libby, nam voor deze dateringsmethode aan dat radiocarbon in de atmosfeer altijd gelijk is geweest en dat daardoor het gehalte C-14 tijdens het sterven van een organisme altijd hetzelfde is. Hij geloofde namelijk dat de aarde miljoenen jaren oud was en het systeem daardoor in equilibrium gekomen was. In Libby’s tijd wezen metingen en berekeningen echter al uit dat C-14 het systeem 12-20% sneller binnenkwam dan verliet. Libby wist dat als deze berekeningen correct waren, dat zou betekenen dat de atmosfeer jong is, dus verwierp hij de resultaten en stelde dat het experiment niet kon kloppen. Echter, recentere studies van beroemde atmosferische physici zoals Suess en Lingenfelter tonen zelfs aan dat C-14 het systeem maar liefst 30-32% sneller binnengaat dan het uit het systeem verdwijnt! Dit zorgt ervoor dat de dateringsmethode faalt en de uitkomst van de dateringen exponentiëel toeneemt hoe verder we terug gaan in de tijd. Evolutionisten verwerpen de methode desondanks niet, omdat de miljoenen jaren goed in de theorie passen. Bovendien bewijzen de onderzoeksuitkomsten dat de aarde nooit ouder kan zijn dan 30.000 jaar!

C. Genografische datering van de mens

In een nieuwe tak van wetenschap, de genografie , worden de migraties van volken en hun afkomst gereconstrueerd. Dit doet men door het mitochondriale DNA (enkel door vrouwen doorgegeven) en het mannelijke Y-chromosoom (enkel door mannen doorgegeven) tussen de volken onderling te vergelijken. Mitochondriaal DNA (mtDNA) is veel gevoeliger voor verandering dan ‘normaal’ DNA, omdat een mutatie niet direct schade aan het organisme brengt. Hierdoor wordt zo’n mutatie doorgegeven aan het nageslacht en aan hele volken en kunnen de migraties geanalyseerd worden. Op basis van de genografie brengen evolutionisten in kaart hoe lang een bepaalde soort chromosoom of mtDNA al ‘bestaat’ en hoe lang geleden volken uit een ander volk voortkwamen. Men kwam erachter dat alle mensen op aarde terug te voeren zijn naar één persoon: in het geval van mitochondriale DNA tot de ‘mitochondriale Eva’, in het geval van het Y-chromosoom tot de ‘y-chromosomale Adam’. Deze vondst was in eerste instantie niet verwacht door evolutionisten, maar is precies wat we mogen verwachten vanuit het bijbelse scheppingsmodel. Niet voor niets zei de beroemde paleontoloog Roger Lewin: “De mitochondriale DNA techniek lijkt de theorie van Noach’s Ark te ondersteunen (dat we voortkomen uit een paar mensen op dezelfde locatie en niet uit vele mensen en plaatsen zoals evolutionisten concludeerden).”

Echter, hoe snel de veranderingen in mtDNA door mutaties plaatsvinden en welke datering we dus moeten koppelen de mitochondriale Eva, weet men niet. En die informatie is essentiëel voor eerlijke berekeningen. Net als in de vorige voorbeelden rekent men daarom vanuit een evolutionair rekenmodel. Een van de grondleggers van de genografie is Bryan Sykes, een evolutionist. Vanuit evolutie gelooft men dat de mens een X aantal jaren geleden voortkwam uit een apensoort, dus het ‘ontstaan’ van de eerste mens en daarmee de mitochondriale Eva wordt ergens in de tijd daartussen geplaatst. Men rekent daarom vaak terug tot vele tienduizenden en zelfs honderdduizenden jaren – voor het ontstaan van Aziaten, van Europeanen, enzovoorts. Maar dit is onbewezen en puur hypothetisch. Simpel gezegd: als je de de begindatum niet kent en de snelheid van verandering niet kent, kun je enkel op hypothetische grond uitspraken doen. Omdat wetenschappers vanuit evolutie redeneren, vullen zij de verandersnelheid (in dus indirect ook de begindatum) zelf in binnen de kaders van hun theorie.

Toch zijn er studies gedaan die de snelheid berekenen waarmee het mtDNA zich in generaties aanpast – niet vanuit de theorie, maar vanuit de praktijk. Deze studies wijzen een veel hogere snelheid uit dan men normaal gesproken vanuit theoretisch evolutionisme rekent. Sommige geleerden kwamen zelfs op snelheden die 20x zo hoog liggen als de aanvaarde snelheid! Waar wetenschappers meestal de oudheid berekenen op basis van 1 mutatie per 600 generaties, komen berekeningen op basis van huidige genografische veranderingen in DNA op 1 mutatie per 40 generaties! Opnieuw zien we hoe men een rekenmodel aanvaard heeft dat niet gestaafd is. In Science’s ‘Research News’ wordt gezegd over de datum dat de mitochondriale Eva leefde, dat ‘als men de nieuwe klok gebruikt, zij slechts 6000 jaar oud is’!

Evolutionisten komen daarop met vergezochte verklaringen waarom de mutaties die tegenwoordig gemeten worden sneller gaan dan vroeger – alleen maar om in lange tijdsindelingen te kunnen blijven geloven! Zij omzeilen de feiten om maar dogmatisch in de hypothese te kunnen blijven geloven. Aannemen dat de mitochondriale Eva pas 6000 jaar geleden leefde, betekent namelijk dat de hele evolutietheorie op losse schroeven gezet wordt.

In werkelijkheid pleiten de vondsten voor schepping, niet voor evolutie: er was één mens waar wij uit voortkomen en omgerekend leefde deze zo’n 6000 tot 10.000 jaar geleden. Enkel wanneer we alles evolutionair indelen en de feiten wegredeneren, komen we op vele tienduizenden jaren. Evolutionisten die beweren dat deze DNA-technieken evolutie aantonen, hebben geen benul van hoe krom de berekeningen gedaan worden, of houden zichzelf voor de gek.

Kortom, net als de andere dateringsmethodes is deze genografische datering ook voor 100% cirkelredenering vanuit evolutionisme, die bij correctie juist een bewijs voor schepping en zondvloed vormt. (Ik verwijs voor een duidelijke uitzetting hierover naar A shrinking date for ‘Eve’ door Carl Wieland).

FEIT: Via de genografische dateringsmethode kan men achterhalen welke volken uit elkaar zijn voortgekomen en tracht men te benaderen wanneer dat gebeurde. Men ‘meet’ hiervoor het aantal mutaties in het mtDNA dat is opgetreden. Hoe snel deze mutaties in het mtDNA plaatsvinden weet men niet, terwijl deze input essentiëel is voor eerlijke berekeningen. Men heeft daarom een rekenmethode aangenomen (hypothetische ‘1 mutatie per 600 generaties’) dat honderdduizenden tot miljoenen jaren oplevert voor het ontstaan van volken. Moderne studies uit de praktijk hebben echter keihard bewezen dat de mutaties véél sneller gaan, namelijk 1 mutatie per 40 generaties. Dit betekent dat dat de eerste mens slechts 6000 jaar geleden leefde.

Evolutionisten negeren dit of verzinnen redenen waarom mutaties ‘vroeger langzamer gingen dan nu’ – enkel om in evolutie te kunnen blijven geloven. Aannemen dat de mitochondriale Eva pas 6000 jaar geleden leefde, betekent namelijk dat de hele evolutietheorie onmogelijk wordt gemaakt, en dat de creationistische visie té aannemelijk wordt.

(Onderzoeken die aantonen dat het aantal mutaties in mtDNA veel hoger liggen dan men in dit rekenmodel verwerkt heeft, zijn: Loewe, L and Scherer, S. ‘Mitochondrial Eve: the plot thickens.’ Trends in Ecology and Evolution, 12(11):422–423, November 1997, Gibbons, A . ‘Calibrating the Mitochondrial Clock’. Science 279(5347):28–29, January 2, 1998 en Parsons, T.J. et al ‘A high observed substitution rate in the human mitochondrial DNA control region’, Nature GeneticsVol. 15: 363–368, 1997. )

D. Datering van menselijke gebruiksvoorwerpen

De manier waarop menselijke vondsten (dat wil zeggen: gebruiksvoorwerpen, gereedschappen of rotstekeningen) worden gedateerd lijkt sterk op de vorige dateringsmethodes. Men zal mogelijk een aardlaag met menselijke vondsten radiometrisch dateren zodat men weet uit welke tijd hij komt. Maar de meest algemene methode is een cirkelredenering zoals die van de gidsfossiel-methode: men plaatst menselijke vondsten in het vooropgestelde evolutieschema.

Volgens evolutionisten heeft de steentijd 100.000 jaar geduurd. 10.000 jaar geleden begon de mens aan een nieuwe ontwikkeling en ging andere materialen te gebruiken, zoals brons en ijzer. Uiteindelijk begon hij te schrijven. Deze gedachtegang wordt op geen enkele manier door feiten onderbouwd; het is een veronderstelling. Het is een tijdsmodel dat in het leven is geroepen om evolutie mogelijk te maken. En op basis van die veronderstelde, puur theoretische en hypothetische tijdschaal worden menselijke vondsten een leeftijd toegekend. Vind men primitieve stenen voorwerpen , dan is het een vondst van het begin van de steentijd en dus zo’n 100.000 jaar oud. Tonen de vondsten aan dat men al geavanceerdere voorwerpen of metaal gebruikte, dan valt het in een latere periode (bijvoorbeeld de Bronstijd of IJzertijd ). Het is daarmee een soortgelijke cirkelredenering als de datering via gidsfossielen! Want je moet aannemen dat de mens vanuit half-apen langzaam ontwikkelde en dat er mondiale fasen in ontwikkeling van de mens waren, wil de datering kloppen. Dat men resten vindt van mensen die enkel met steen, brons of ijzer werkten kan net zo goed betekenen dat de eerste volken na de zondvloed niet allemaal even sterk ontwikkeld waren en opnieuw ‘het wiel moesten uitvinden’. Deze gedachte wordt ondersteund door de hoeveelheid vondsten uit de steentijd, die véél te laag is voor de veronderstelde 100.000 jaar steentijd (zoals we al behandeld hebben).

Bovendien heeft men menselijke voorwerpen gevonden in koolstromen, in harde gesteentes en midden in aardlagen die miljoenen jaren oud zouden zijn. Dit soort vondsten worden als anomaliën aangemerkt en niet te veel in de openbaarheid gebracht. Maar één zo’n vondst bewijst al dat de dateringsmethode faalt.

Net als alle andere breed geaccepteerde en door iedereen als waarheid aangenomen dateringsmethoden, is ook deze methode gebaseerd op een onbewezen hypothese! Dat er in Azië, Amerika of Australië al honderdduizend jaar geleden mensen zouden leven is een gedachte die puur komt door het ramen van menselijke vondsten (stenen voorwerpen of juist metalen voorwerpen) in het evolutieschema. Concrete historie begint altijd rond 2500 a 2000 v.C., dus van voor die tijd kunnen we niets bewijzen. Het zijn aannames. En, zoals we gezien hebben, toont de analyse van de bevolkingsgroei aan dat de honderdduizenden jaren die geopperd worden volstrekt onmogelijk zijn.

Hoe ontzettend bevooroordeeld de onderzoekers zijn, is goed te zien aan hoe men rotstekeningen dateert. Deze tekeningen kunnen niet radiometrisch gedateerd worden, want daar komt de vermeende leeftijd van de rots uit, niet de leeftijd van de tekening in de rots. Concreet is dus niets te bewijzen. Hoe gaat men dan te werk? Men dateert de rotstekeningen op basis van de evolutionistische hypothese, waarin de steentijd 100.000 jaar duurde.

Onze moderne verf waarmee we ons huis schilderen blijft slechts enkele decennia goed. Toch worden aan de rotsschilderingen, gemaakt met primitieve verfmengseltjes, enorme leeftijden gekoppeld. Sommige ‘zeer primitieve’ rotstekeningen die je kunt bezoeken worden afgedekt met een siliconenstrip omdat men erachter kwam dat ze snel eroderen wanneer het regent! Als we er tegenwoordig beschermstrips op moeten bevestigen tegen het eroderen, hoe kan de tekening dan tienduizenden jaren goed gebleven zijn?

Nee, de rotstekeningen worden niet op een eerlijke of objectieve manier gedateerd – ze worden in de gangbare (evolutie)theorie gepast. In het Kakadu National Park in Australië heeft men rotstekeningen gevonden die door de Aboriginals gemaakt zijn. Men wil graag geloven dat deze al tienduizenden jaren oud zijn. Een van de rotstekeningen toont echter een Europees geweer zoals kolonisten gebruikten! Andere rotstekeningen in het park tonen Europeanen die pijp roken en zeilschepen. Omdat evolutionisten vanwege de inhoud van de tekeningen gedwongen worden te accepteren dat zij nog niet oud kunnen zijn, wordt van die rotstekeningen toegegeven dat zij nog relatief jong zijn. Maar de rest van de rotstekeningen in het gebied worden nog steeds als primitieve tekeningen van tienduizenden jaren oud gezien!

Sommige tekeningen wordt een datum gegeven omdat het dier dat wordt afgebeeld al tienduizenden jaren uitgestorven zou zijn in het betreffende gebied. Ziet men dieren die volgen de heersende theorie al 30.000 jaar uitgestorven zijn? Dan is de tekening 30.000 jaar oud. Maar ironisch genoeg is ook dat een onbewezen, evolutionistische aanname. De ene evolutionistische aanname wordt gebruikt om de andere evolutionistische aanname te rechtvaardigen. Dit is onbetwistbaar een cirkelredenering, zonder dat men gebruik maakt van controleerbare feiten. De dieren kunnen zeer goed nog maar kort geleden uitgestorven zijn. Als je in de zondvloed geloofd, zijn alle dieren in een veel snellere tijd verspreid en uitgestorven in delen van de wereld, en dan klopt de datering al niet meer! De dateringen van menselijke vondsten bewijzen compleet niets, maar zijn een verlengstuk van de evolutionistische tijdsindeling.

Rotstekeningen gevonden uit de zogenaamde steentijd. De anatomische perfectie laat zien dat deze mensen niet zo dom waren als ze vaak afgeschilderd worden. Er zijn bovendien bewijzen dat zulke rotstekeningen ook enkele eeuwen geleden gemaakt werden. De vooronderstelling van de onderzoeker bepaalt meestal hoe oud hij wordt gelabeld.

FEIT: De datering van menselijke gebruiksvoorwerpen gaat als volgt: men plaatst een vondst in het evolutionistische (onbewezen) tijdsschema van steen-, brons- en ijzertijd. Voor rotstekeningen geldt hetzelfde. Ze kunnen niet concreet of controleerbaar gedateerd worden, dus de uitkomst is altijd afhankelijk van de vooronderstelling van de onderzoeker.

De wereld van het dateren van menselijke beschavingen is een wonderlijke. Als je in de encyclopedie kijkt onder ‘China’, dan lees je dat de eerste concrete beschaving rond 2000 voor Christus ontstond. Maar onder het kopje ‘prehistorie’ verschijnt dan plots een grote uiteenzetting over de primitieve mens die er al duizenden jaren voor die tijd leefde. Maar dat schrijft men, omdat men bijv. stenen of bronzen vondsten heeft gevonden die geplaatst worden in het evolutionaire tijdsschema van steentijd, bronstijd, enz. Uit dat schema rolt vervolgens een ‘wetenschappelijk correcte’ datum dat er al mensen liepen in China. In realiteit kunnen het ook vondsten zijn van vlak na de zondvloed. Toen kwamen de eerste volken aan in Azië die veel dingen opnieuw moesten uitvinden en ontdekken. Natuurlijk is die gedachte ook niet te bewijzen. Maar het gaat erom dat de datering door evolutionisten in de wereld gebracht wordt alsof het een controleerbaar feit is. De ooit opgestelde schema’s zijn onfeilbare dogma’s waar niet eens meer over getwijfeld kan worden. Ze zijn het fundament van de evolutietheorie!

Termen als steentijd, ijstijd en bronstijd mogen dan mooi staan in het schema, maar het is onbewezen of de periodes mondiaal waren en of ze werkelijk zo lang duurden als evolutionisten stellen. Een voorbeeld van hoe fragiel de hypothese is, is de vondst van de Landkaart van Piri Reis. Deze kaart dateert uit de 16 e eeuw en toont wonderbaarlijk genoeg een deel van Europa, Afrika, Amerika en… onbesneeuwd Antartica! De maker van de kaart, Piri Reis, had toegang tot grote bibliotheken en heeft zeker oude bronnen geraadpleegd voor zijn landkaart. Het bijzondere is niet zozeer dat hij Antartica tekende terwijl het nog niet ontdekt was, maar dat hij de perfecte kustlijn tekende die zich nu onder het ijs bevindt! De kust is zo perfect weergegeven dat het kartografen heeft geholpen bij het opstellen van moderne kaarten van het gebied! Volgens wetenschappers is de ijsmassa op Antartica miljoenen jaren oud; toch is het gebied op een landkaart geplaatst voordat het onder het ijs lag! Waren er miljoenen jaren geleden hoog ontwikkelde mensen op aarde, of moeten we onze hypothetische dateringen over de ijstijd en de ijsbedekking op Antartica ‘iets’ bijstellen?

Nog een voorbeeld is de verspreiding van leeuwen. We weten uit de vele cultuurverwijzingen dat leeuwen behalve in Afrika en India hebben geleefd in het Midden Oosten, ver in China en zelfs in Europa. Leeuwen lieten hier geen fossielen achter (begrijpelijk, want daarvoor heb je een plotselinge bedekking onder sediment nodig) – voor tijdsindicaties moeten we dus andere methodes aangrijpen. Nou weten we zeker dat leeuwen zo’n 2500 jaar geleden nog in het Midden-Oosten en China moeten hebben gelopen; dat blijkt uit de beschrijvingen in de cultuur die simpel te dateren zijn (zoals in de bijbel en cultuuruitingen). Echter, van leeuwen in Europa heeft men enkel menselijke rotstekeningen teruggevonden. Aan zulke rotstekeningen hangt geen kaartje met wanneer ze gemaakt zijn. De rotsen dateren heeft ook geen zin, want dat kan alleen de oudheid van het gesteente zelf uitwijzen! De enige methode die overblijft, is de rotstekeningen in het evolutiemodel plaatsen. En omdat die primitieve rotstekeningen in de steentijd worden geplaatst gelooft men dat leeuwen voor het laatst in Europa leefden rond 30.000 jaar geleden! Het niet logisch aan te nemen dat de leeuw al 30.000 jaar geleden uit Europa verdween terwijl hij 2500 jaar geleden nog in Israel en China rondliep! Het tijdsgat is onlogisch groot. Maar toch wordt het als waarheid aangenomen vanwege de rotstekeningen. Iedere eerlijke wetenschapper zou moeten toegeven dat het niet objectief is een dergelijke aanname te doen op basis van een onbewezen evolutionair tijdsschema.
Als we de steentijd in bijbels schema plaatsen wordt het veel logischer. De leeuw leefde een kleine 4000 jaar, vlak na de vloed, in Europa, waar hij al snel uitstierf. De eeuwen daarna kwam hij nog wel voor in het Midden Oosten en China, maar bleef een tijd later enkel over in Afrika en India, waar ze nu nog zijn.

Overigens is het tegenovergestelde soms ook het geval. Dan dateert men een rotstekening op basis van de inhoud. Een goed voorbeeld van hoe bevooroordeeld men dit doet is de volgende. In Noord-West Kimberly in Australië vond een evolutionistische wetenschapper een rotstekening die hem deed veronderstellen dat de tekening meer dan duizend jaar oud was en dat in die tijd christelijke zeevaarders de Aborigines bereikt moesten hebben. De meeste andere rotstekeningen die men in hetzelfde gebied vond werd een datum van tienduizenden jaren geleden gegeven, en deze tekening opeens maar duizend jaar . Wat bleek: de schilderingen toonden beelden van een grote vloed en de geboorte van de mensheid uit één familie! Dit is een fantastisch bewijs voor de zondvloed – en bovendien sluit het aan bij een groot aantal Aborgine-overleveringen over de vloed. Echter, evolutionistische wetenschappers kunnen dat niet aanvaarden en stellen daarom dat christenen de stam bereikt moeten hebben – en de rotstekening wordt opeens als duizenden jaren jonger bestempeld dan de anderen. (Overigens, via deze denkwijze zouden christenen duizenden jaren geleden alle stammen en inheemse volken op de wereld bereikt moeten hebben, want nagenoeg alle volken kennen het zondvloedverhaal uit hun eigen tradities!)

Dateren of vondsten naar je hand zetten?

Zoals we al zagen gaf de archeoloog professor Brew eerlijk aan dat zij de dateringen alleen publiceren als ze de theorie beamen. Zijn de uitkomsten niet in lijn met de evolutietheorie, dan worden ze verzwegen: “Als een C-14 datum in onze theorieën past, nemen we hem op in de tekst. Als de datum onze theorieën niet ernstig tegenspreekt, plaatsen we hem in een voetnoot. En als de datum compleet buiten onze theorie ligt, verwerpen we hem.” (Bron: The Revised Quote Book, Creation Science Foundation, Sunnybank (Queensland), 1990, p. 23.)

Dit is op zichzelf al een schokkende erkentenis. Maar er zijn tal van gevallen bekend die nog veel schandelijker zijn. Om de theorie te kunnen behouden worden vondsten soms totaal anders de wereld ingebracht dan ze werkelijk zijn. De reden hiervoor is dat de aardlagen niks met evolutie te maken hebben maar simpelweg een hele hoop fossielen in de modder zijn! De evolutionaire lijn die evolutionisten propaganderen bestaat niet. En dus lopen ze regelmatig op tegen grote problemen. Fossielen die niet in de laag mogen liggen waar ze liggen, bijvoorbeeld. En als fossielen van moderne, volkomen ontwikkelde mensen gevonden worden in aardlagen die gedateerd worden op miljoenen jaren oud, dan wordt het fossiel simpelweg vernoemd naar een aapmens!

Een paar van dit soort gevallen laten zien hoe er met uitkomsten en vondsten wordt omgesprongen:

Vraag: “Waarom noemen evolutionisten de robuuste Australische fossielen die zij vonden Homo Sapiens , terwijl zij zelf toegeven dat ze bijna identiek zijn aan de Java Homo Erectus vondsten?
Antwoord: Die robuuste Australische fossielen (namelijk de Kow Swamp vondst, de Cossack-schedel, de Willandra Lakes WHL 50 schedel, enz.) zijn gedateerd op nog maar enkele duizenden jaren oud . Dit is veel te jong voor de Homo Erectus, die nog steeds wereldwijd wordt gezien als aapmens. Homo Erectus zou volgens de hypothese toen al lang niet meer mogen leven. Daarom moeten evolutionisten hem wel Homo Sapiens noemen om de theorie te kunnen bewaren.

 

Vraag: “Waarom zijn de schedel KNM-ER 1470, de beenbotten KNM-ER 148 I en de schedel KNM-ER 1590 (gevonden door Richard Leakey in Oost-Afrika) toegeschreven aan Homo Habilis, terwijl de schedelgroottes, schedelvorm en de moderne beenbotten aantonen dat het om een Homo Sapiens gaat?
Antwoord: De datering gaf aan dat het fossielen zijn van bijna twee miljoen jaar oud. De evolutietheorie laat niet toe dat moderne mensen leefden in die evolutionaire tijdsperiode, hoe de fossielen er ook uitzien!

 

Vraag: “Waarom is de elleboog van Kanapoi, KP 271 (gevonden in Oost Afrika in 1964), Australopithecus Africanus genoemd terwijl computeranalyses door evolutionisten aantoonden dat hij praktisch identiek is aan die van moderne mensen?
Antwoord: Omdat de elleboog gedateerd is op 4,4 miljoen jaar ouderdom! Als evolutionisten de vondsten eerlijk zouden laten spreken zou dat suggereren dat moderne mensen ouder zijn dan hun evolutionaire voorouders. Geen evolutionist die in evolutie wil blijven geloven kan dat aannemen. Daarom plakt men op deze elleboog van een moderne mens het etiket van een ‘aapmens’ dat volgens de evolutietheorie wél rond die tijd leefde.

(Bron:The human fossils still speak! prof. Marvin L. Lubenow, M.S., Th.M.)

Ik geloof niet dat iemand die deze feiten onder ogen zien kan blijven beweren dat dit eerlijke, objectieve wetenschap is. Dit is puur zien wat je wil zien. Sterker nog, het is manipulatieve weergave van informatie. Wordt een skelet van een mens identiek aan ons gevonden maar de datering wijst uit dat hij miljoenen jaar oud is? Dan maken we er toch een aapmens van, ondanks dat dat helemaal niet met de feiten klopt..?

Conclusie
We kunnen op basis van onderzoek naar feiten concluderen dat alle vier de methodes van datering totaal verworpen kunnen worden. Ze zijn simpelweg gebaseerd op onbewezen hypotheses en rekenmodellen en falen veel te vaak. Soms is de reken methode wel goed (zoals bij radiometrische datering of bij genografische datering), maar de formule of reken factor niet. De theoretisch-evolutionistische datering die wereldwijd gepropagandeerd wordt, is volkomen nutteloos. Ze wordt enkel toegepast om de evolutietheorie recht te praten. Wanneer we de aardlagen gaan zien als lagen van snelle afzetting tijdens de zondvloed vallen alle puzzelstukjes in elkaar. En dat klopt veel beter met historie, archeologie en volksverhalen. Wie zich graag verder wil verdiepen in dateringsmethoden en waarom de ‘miljoenenclaims’ van evolutionisten niet op waarheid berusten, kan het boek Mythology of Modern Dating Methods van John Woodmorappe lezen.

Er is trouwens één dateringsmethode die altijd bijna 100% betrouwbaar is, namelijk de datering van geschreven teksten met daarin verwijzingen naar controleerbare momenten. Daar hangt indirect wél een kaartje aan met de datum. En die vondsten zijn altijd van ná 2500 v.C.!

Bewijst de geologie dus dat de aarde miljoenen jaren oud is? Nee , evolutionisme heeft nog niets op enig goed controleerbare manier bewezen omtrent de leeftijd van de aarde of van vondsten. Daarentegen pleiten alle bewijzen tégen evolutionisme! Professor Philip Johnson stelde zelfs na analyse van de feiten het volgende: ”Dat 130 jaar voorgenomen pogingen het Darwinisme te bevestigen niets meer hebben opgeleverd dan een paar dubbelzinnig ondersteunende voorbeelden te vinden, is een significant negatief bewijs.” (Uit: Darwin on Trial door Phillip Johnson, 1991).

 

 

 

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here