2. de miljoenen overgangsvormen ontbreken

bron: verzwegenwetenschap.nl

0
162

De overgangsmodellen die jou in evolutionistische studies, op school of in wetenschapsbladen getoond worden, zijn zuiver hypothetisch en bestaan alleen in de fantasie van de onderzoekers. Ze worden niet ondersteund door het fossielenbestand, noch door de genetische theorie. Nooit is er ook maar één overtuigend fossiel van een overgangsmodel gevonden. Dit mag schokkend klinken, maar het is een feit.


Miljoenen overgangsmodellen?

Een groot aantal goed opgeleide wetenschappers in gebieden buiten biologie en paleontologie hebben jammergenoeg het idee gekregen dat het fossielenbestand veel meer Darwinistisch is dan het in werkelijkheid is. Dit komt waarschijnlijk door de oversimplicatie in secundaire uitgaven als tekstboeken met een lager niveau, semi-populaire artikelen, enzovoorts. Daarnaast is er waarschijnlijk wat ‘wishful thinking’ mee gemoeid. In de jaren na Darwin hoopten zijn advocaten de voorspelde vooruitgaande ontwikkelingen te vinden. Kort gezegd, deze zijn niet gevonden – maar het optimisme is moeilijk tegen te gaan, waardoor pure fantasie de tekstboeken is binnengeslopen.

David Raup, een evolutionist en gerespecteerde paleontoloog in Science, nr. 213, p.289.

Nadat Darwin’s theorie massaal werd aangenomen door wetenschappers over heel de wereld, ging men er vol enthousiasme van uit dat de aardlagen de komende decennia miljoenen tussenmodellen zouden onthullen tussen diersoorten. Wanneer er namelijk een evolutionaire lijn is tussen organismen, van een micro-organisme tot aan geavanceerde planten, bloemen, vissen, reptielen, apen en mensen, dan is het onmogelijk dat we alleen volkomen ontwikkelde organismen tegenkomen. Sterker nog, de aardlagen zouden rijker gevuld moeten zijn met half-organismen of tussenmodellen, dan met volkomen ontwikkelde soorten. Darwin zelf schreef: ‘…het aantal overgangsmodellen dat ooit bestaan heeft, moet werkelijk enorm zijn.’

Op dit moment is er al 150 jaar een zoektocht gaande in de aardlagen naar overgangsmodellen die de theoretische opgaande evolutionaire lijn moeten aantonen. Want er is maar één manier waarop evolutie ooit bewezen zou kunnen worden, en dat is wanneer het aangetoond wordt. En helaas voor de evolutionisten is er nog nooit een overgangsvorm gevonden. Er zijn wel organismen die een bepaalde tijd werden gepropagandeerd als overgangsmodellen, maar ze bleken dat tot op vandaag nooit werkelijk te zijn. Maar de waarheid die men aantrof in de aardlagen is zelfs nog erger dan dit. De hele evolutionaire ontwikkeling die er zou moeten zijn ontbreekt volkomen in de aardlagen. Dat kleine organismen zijn geëvolueerd tot complexe organismen is nadrukkelijk niet terug te vinden in de praktijk, en alle duizenden diersoorten die tot nu toe door onderzoekers zijn opgegraven waren 100% grondsoort.


De twee vijanden van de evolutionist: ‘stasis’ en ‘plotselinge verschijning’
Wetenschappers hebben al een groot deel van de aardlagen op aarde weten uit te kammen. Wat hier uit voortgekomen is, liegt er niet om. De wetenschapper T. Neville George zegt in Fossils in Evolutionairy Perspective (blz. 1 en 3) het volgende:
“De hoeveelheid fossielen is bijna onhandelbaar groot geworden. En toch blijven de gegevens uit de fossielen hoofdzakelijk bestaan uit hiaten.”
En: “De hiaten zijn reeel en gelijk aan de hiaten die we in de hedendaagse wereld vinden.”

Dr. Henry M. Morris Ph. D. beaamde dit in The Scientific Case Against Evolution :
“Vroeger claimden ze [= evolutionisten] dat de werkelijke bewijzen voor evolutie in het fossielenbestand te vinden waren, maar het is een feit dat er tussen de miljarden fossielen die tegenwoordig bekend zijn niet één duidelijke overgangsvorm zit met overgangsstructuren van het evolutieproces.”

Behalve dat er enkel en alleen hiaten in de aardlagen te vinden zijn, ontbreekt ook ieder spoor van evolutionaire ontwikkeling. Dat hebben ze je vast niet verteld op school, maar het is een vaste, controleerbare waarheid. Evolutionist Walter E. Lammerts zei over het ontbreken van evolutionaire ontwikkeling in aardlagen:

Het eigenlijke percentage van gebieden die deze progressieve orde van simpel tot complex tonen is verassend klein. Inderdaad worden formaties met zeer complexe levensvormen vaak direct boven de granieten basis gevonden. Verder heb ik in mijn eigen archieven meer dan 500 gevallen die getuigen van een omgekeerde orde, oftewel met simpele levensvormen bovenop de complexere types.

Laat goed tot je doordringen wat Walter E. Lammerts hier zegt: er zijn ontzettend weinig gebieden met aardlagen waar complexere organismen werkelijk boven minder complexe soorten liggen. Situaties waarin dat gebeurt zijn meer uitzondering dan regel. Er worden vaak formaties met complexe organismen vlak boven de onderste aardlaag gevonden. En als klap op de vuurpijl zijn er (alleen al in Lammerts eigen archief) honderden gevallen bekend waarin de simpel-tot-complex orde volkomen omgekeerd is. Daar zijn de simpele levensvormen ‘jonger’ dan de complexere levensvormen. Zelfs zogenaamde overgangsmodellen die in jouw schoolboekjes staan als bewijs voor evolutie (zoals de Archeopteryx ) zijn gevonden in aardlagen jonger dan hun beoogde nakomelingen. Evolutionaire ontwikkeling is dus een theoretische aanname , niet een door de praktijk bewezen feit.

Naast de genoemde gevallen lopen evolutionisten bij het onderzoeken van de aardlagen altijd tegen dezelfde problemen op. De inmiddels overleden Harvard-paleontoloog Stephen Jay Gould (zelf een evolutionist) legt dit uit (in Evolution’s Erratic Pace, Natural History, p.13,14 ):

“De geschiedenis van de meeste fossielsoorten behelst twee kenmerken die met name indruisen tegen een geleidelijke ontwikkeling:

1) Statis. De meeste soorten vertonen geen doelgerichte verandering gedurende hun verblijf op aarde. Ze verschijnen in het fossielenbestand in dezelfde gedaante als waarmee ze verdwijnen. Morfologische veranderingen zijn meestal beperkt en doelloos.

2) Plotselinge verschijning. In geen enkel gebied komen soorten ooit geleidelijk te voorschijn middels gestage transformatie van de voorouders, maar ze verschijnen altijd plotseling en ‘volledig gevormd’.”

Wat Gould zegt, onderstreept datgene wat Lammerts al aangaf. Simpel gezegd ontbreekt evolutie in de aardlagen. Soorten veranderen niet doelgericht en worden niet beter door miljoenen jaren (dat noemt men dus Stasis). De soorten komen niet voort uit andere soorten, maar verschijnen altijd plotseling en volkomen ontwikkeld (wat men dus plotselinge verschijning noemt). Morfologische veranderingen in de gedaantes van de organismen (zoals door mutaties) zijn ‘meestal beperkt en doelloos’ en de soorten verdwijnen weer als vastomlijnde grondsoorten! Vissen komen als vissen en veranderen niet in reptielen. Reptielen verschijnen als reptielen en veranderen niet in vogels of zoogdieren. Alles wat men vindt in de aardlagen is 100% grondsoort, en nooit vond men bijvoorbeeld een half-reptiel half-zoogdier. Dit op zichzelf ontkracht de evolutietheorie al. En het klopt daarentegen perfect met de creationistische visie dat vastomlijnde grondsoorten zijn geschapen met de mogelijkheid zich binnen de grenzen van micro-evolutie aan te passen. Het fossielenbestand toont altijd grondsoorten (vogels, reptielen, hondachtigen, katachtigen) en nóóit de veronderstelde overgangsvormen tussen die soorten. Ze zijn er gewoon niet.

Naast het probleem van stasis en plotselinge verschijning is er ook nog het dilemma rond zogenaamde levende fossielen. Veel dieren die vandaag de dag op aarde leven zijn identiek aan hun gefossileerde ‘verre voorouders’ die honderden miljoenen jaren oud zouden zijn. Dat is in evolutionair oogpunt een groot probleem, omdat de soort in zo’n gigantische tijdsperiode zich echt door mutaties had moeten aanpassen. Maar grootste probleem is dat deze dieren in die enorme tijdskloof tussen toen en nu geen fossielen hebben achtergelaten!

DE FEITEN: Elke vorm van evolutionaire ontwikkeling ontbreekt in de aardlagen. Nergens op aarde komen soorten in de aardlagen geleidelijk te voorschijn middels geleidelijke transformatie van de voorouders. Simpele levensvormen liggen zelden werkelijk in oudere aardlagen dan complexere levensvormen. Organismen verschijnen plotseling in de aardlagen als volledig ontwikkelde grondsoorten (‘plotselinge verschijning’) en komen niet uit andere soorten voort. De organismen veranderen tijdens hun verblijf niet en vertonen geen enkele blijk van evolutie (‘stasis’).

In The Origin of Mammals zegt de Amerikaanse geleerde Duane Gish, Ph.D. over de evolutietheorie en overgangsmodellen:

”Als deze evolutionistische zienswijze waar is, dan zou het fossielenbestand een enorm aantal overgangsvormen moeten opleveren. Natuurhistorische musea zouden moeten uitpulpen van ontwijfelachtige tussenmodellen. Ongeveer 250.000 verschillende fossiele diersoorten zijn op dit moment verzameld en geclassificeerd. Deze fossielen zijn willekeurig verzameld vanuit rotsen die alle geologische perioden van de geschiedenis van de aarde zouden weergeven. Als we uitgaan van de waarheid van de evolutietheorie en de wetten van de waarschijnlijkheid, zou het grootste deel van deze 250.000 diersoorten overgangsmodellen moeten zijn. Dus, als de evolutietheorie waar zou zijn, zouden er geen twijfels, vragen of debatten zijn over of evolutie een feit is.”

Als evolutie waar zou zijn, zou het net zo geaccepteerd zijn als de wet van de zwaartekracht. De miljoenen overgangsmodellen zouden dan geen ruimte voor andere denkwijzen meer toelaten. Helaas zijn er geen miljoenen overgangsmodellen. Er is geen één duidelijk overgangsmodel gevonden.

Vanuit dit oogpunt begrijpen we ook de krampachtigheid waarmee evolutionisten al bijna 150 jaar aan het zoeken zijn naar overgangsmodellen. Of op z’n minst naar fossielen die vanwege hun onvolledigheid de mogelijkheid toelaten het te interpreteren als overgangsmodel. Zelfs evolutionistische lectuur en studies spreken over de zoektocht naar kandidaat-overgangsmodellen en kandidaat-voorouders. Men gelooft bij voorbaat in evolutie, maar moet nu de bewijzen er nog bij vinden! Helaas voor evolutionisme blijft het zoeken zonder resultaat. Bijna alle voorbeelden van overgangsvormen in de biologieboekjes zijn achterhaald óf onbewezen en overgoten van een dikke laag fantasie. Weliswaar is er al een hele rij vondsten in de media gebracht als een overgangsmodel tussen twee soorten, maar dat bleek nooit bewijsbaar een overgangsmodel te zijn. Het bleek in praktisch alle gevallen een misser te zijn, pure fantasie, of zelfs een vervalsing. Zelfs de zogenaamd objectieve wetenschapper ziet wat hij wil zien vanuit hypothese en vooronderstelling. Eerlijk, objectief onderzoek van de aardlagen kan maar tot één conclusie leiden: overgangsvormen bestaan niet en zijn er nooit geweest.

De uitspraken die ik nu doe klinken misschien ongenuanceerd en vragen om een gedetailleerde onderbouwing. En die zal ik ook geven, op basis van feiten die je zelf kunt controleren. Maar eerst een kort stukje theorie.


Waarom overgangmodellen in theorie al onmogelijk zijn
Het is een universele wet dat systemen pas werken als ze compleet zijn. Ieder willekeurige machine of apparaat stopt met werken als ook maar het kleinste onderdeel ontbreekt. Met levende organismen – onherleidbaar complexe machines met duizenden interne processen – is dat niet anders. Een long werkt niet als hij half is ontstaan. Ons darmkanaal werkt niet als hij half is ontstaan. De kleinste verandering door een erfelijke ziekte in ons lichaam zorgt er al voor dat het totaalproces in de problemen komt. Toch veronderstellen evolutionisten dat de ene soort stap voor stap uit de andere voortkwam. Dat is met simpele tekeningetjes van skeletten die langzaam veranderen nog wel te verkopen, maar op het gebied van de interne organen, processen en systemen is het een biologisch en genetisch volslagen onmogelijke stellingname. Niet voor niets beperken de evolutionisten zich ook altijd tot de ‘reconstructies van skeletten’, en wagen ze zich niet aan de rest. Hoe alle onherleidbaar complexe systemen van het lichaam stap voor stap ontwikkeld kunnen zijn kan nooit verklaard worden door fossielen.

Een systeem als ons oog is zo indrukwekkend en onherleidbaar complex ontworpen, dat er niets door mensen is gemaakt wat ook maar vergelijkbaar is. Evolutie veronderstelt dat dit ontstaan is door toevallige verwarringen in het dna (mutaties) over miljoenen jaren zonder doel of ontwerp. En het ergste van alles: het zou stap voor stap gebeurd zijn, terwijl een systeem als dat van het oog niet kan werken als het half af is.

Kieuwen werden stap voor stap longen. Stel je dat eens voor: een dier met kieuwen die net niet meer werken en longen die half ontwikkeld zijn! Dat kan helemaal niet. Of een dier dat geen goede schubben meer heeft, maar ook nog geen goede veren. Zo’n dier zal uitsterven. Nog problematischer wordt het wanneer we het gaan hebben over hersenprocessen, spijsvertering, aerodynamisch perfect ontworpen vleugels, gifspuwende klieren – al deze processen werken niet als ze half af zouden zijn. Sterker nog, survival of the fittest houdt in dat een dier met zo’n half-proces het snelst zal uitsterven. Neem nou eens een dier als een kanonstor. Die heeft een ingebouwde katalysator aan boord en een buisje (een kanon) waarmee hij gif spuit op zijn vijanden. Hoe is dat stap voor stap ontstaan? Het dier had eerst een onbruikbare buis en kreeg er later toevallig zeer gevaarlijke gifstoffen in – die waren de eerste miljoenen jaren nog onbruikbaar, maar toen de katalysator ook ontwikkeld was kon hij gif schieten…? En dan moet ook het instinct nog hergeprogrammeerd worden, want anders schiet hij zijn vrouwtje per ongeluk dood en dan is de soort uitgestorven.

Darwin schreef in On the origin of species in 1859:

“Als iemand het bestaan zou kunnen aantonen van een complex orgaan dat zich onmogelijk ontwikkeld zou kunnen hebben via talrijke opeenvolgende kleine wijzigingen, dan zou mijn theorie volledig instorten.”

Voor Darwin ontbrak de mogelijkheid zijn theorie te verifieren omdat men toen nog niet een kwart wist van wat men nu weet. Tegenwoordig heeft men de onherleidbaar complexe systemen in onze organen voor een groot deel ontrafeld, en geen enkel orgaan kan mogelijk door een stapsgewijze ontwikkeling zijn ontstaan! (Evolutionisten zijn ook nooit inhoudelijk op deze dilemma’s ingegaan omdat ze onoplosbaar zijn. Een oog kan niet stap voor stap ontstaan – één onderdeel dat niet werkt zorgt al voor een totaal defect!) In alle gevallen betekent de overgang van de ene grondsoort naar de andere een verandering die niet stap voor stap plaats heeft kunnen vinden, omdat het een verwijdering (deletie) van alle genetische informatie nodig heeft, en een toevoeging van volkomen nieuwe genetische informatie. Om van een reptiel een vogel te maken moeten niet alleen genen worden aangepast, maar moet de hele genetische broncodering worden gewist en een nieuwe geschreven.

DE FEITEN: Systemen werken alleen als ze volledig af zijn. Voor alle lichaamsprocessen, organen en systemen geldt dat ze onmogelijk door geleidelijke evolutie tot stand kunnen zijn gekomen. Tot op de dag van vandaag ontbreken wetenschappelijke (biologische) verklaringen voor dit probleem. Niet voor niets beperken evolutionisten zich in hun argumentaties tot theoretische reconstructies van het skelet.

Het moge duidelijk zijn: in theorie zijn overgangsmodellen onmogelijk. En dat wordt op overweldigende wijze bevestigd door de praktijk. Het probleem is dat evolutionisten (al sinds de 19 e eeuw) zo ontzettend graag overgangsmodellen willen zien, dat ze regelmatig de vondsten ietwat hebben verdraaid, of op zijn minst vanuit een enorme vooronderstelling geïnterpreteerd. Dat is geen beschuldiging, maar een regelrecht feit. Hele lijsten zijn er in de media gebracht die we tegenwoordig stuk voor stuk kunnen afstrepen. Laten we deze lijst eens gaan bekijken en onderzoeken wat er werkelijk gevonden is!


De drie grote problemen rond de evolutionistische argumentatie m.b.t. overgangsmodellen
Dr Colin Patterson, de senior palaeontoloog van het British Museum of Natural History, schreef zoals we genoemd hebben het boek Evolution. Hij behandelde in dit boek in theorie hoe soorten uit elkaar voortgekomen konden zijn. Voor wie dacht dat hij zich baseerde op werkelijk gevonden overgangsvormen, heb ik slecht nieuws. Patterson schreef: 

“Ik beaam volledig dat directe illustraties van overgangsvormen in mijn boek ontbreken. Als ik overgangsvormen kende, fossiel of levend, dan zou ik die zeker hebben toegevoegd.” 

Iedere zelfrespecterende evolutionist zou moeten toevoegen dat de overgangsmodellen die in boeken worden getoond hypothetisch zijn.

Zoals we gezien hebben lopen evolutionisten al 150 jaar op tegen het probleem van stasis en plotseling verschijnen in de aardlagen. Soorten duiken op in de aardlagen in volmaakte vorm, veranderen niet en verdwijnen weer zoals ze gekomen zijn. En als een soort al aangepast is, dan valt dit altijd binnen de grenzen van micro-evolutie. De vaststelling van de aan Harvard University geschoolde paleontoloog Stephen Jay Gould liegt er niet om: “ In geen enkel gebied komen soorten ooit geleidelijk te voorschijn middels gestage transformatie van de voorouders”. In geen enkel gebied heeft men evolutie aangetroffen!

Het is een wetenschappelijk feit dat de aardlagen niets aantonen over verandering van soorten, noch over evolutionaire voorouders. Mark Ridley, een Britse evolutionist, vertelt ons in zijn artikel in New Scientist (90:832, 1981):

“Geen enkele echte evolutionist, of hij nou gradualist of punctuationist is, gebruikt het fossielenbestand om de evolutietheorie te verdedigen tegenover speciale creatie.”


Maar toch lees je in evolutionistische uiteenzettingen tot in detail hoe de ene diersoort uit de andere ontstond, inclusief afbeeldingen van overgangsvormen tussen de soorten. Waar komen deze claims vandaan? Waarop zijn deze afbeeldingen gebaseerd, als ze niet gebaseerd zijn op het fossielenbestand?

We gaan zometeen de evolutionistische claims langslopen, en op ieder niveau de hypothese onderzoeken op feiten. Waar zijn de theorieën op gebaseerd? Op welke vondsten baseert men zich, en in hoeverre bevestigen de aardlagen de theorie? In hoeverre houden de wetenschappelijke onderwijzers zich aan de waarheid? Ik zal mij beperken tot feitelijke vondsten en bewijzen. Ik heb de argumenten van evolutionisten bekeken, onderzocht, tegen het licht gehouden en de evolutionistische lectuur geraadpleegd om de feiten te onderzoeken.

Maar voordat we de lijst met zogenaamde ‘overgangsmodellen’ en ‘evolutionaire voorouders’ is het goed te begrijpen wat er fundamenteel mis is aan de argumenten van evolutionisten. Kort gezegd is het zo dat aan de argumentaties van evolutionistische wetenschappers rondom deze overgangsmodellen drie grote problemen verbonden zijn:

PROBLEEM A: De wetenschappelijke bladen en studies vertellen er nagenoeg nooit bij in hoeverre hun uitleg over evolutionaire voorouders van organismen een uitleg is van hun hypothese, óf dat het uitleg is van concreet bewezen ondervindingen. Ontzettend vaak worden er stellingen geponeerd (of zaken met de grootste stelligheid beweerd) die simpelweg hypothese zijn en niet onderbouwd worden met bewijzen. De lezers weten dit echter niet.

PROBLEEM B: De reconstructies van overgangsmodellen die gedaan worden om ‘aan te tonen’ hoe twee soorten uit elkaar voortkomen, worden bijna altijd door de geleerden zelf ingevuld, en zijn dus niet terug te voeren op vondsten! Je hoort het goed. Evolutionisten vinden een gefossileerd organisme A en een organisme B, en ‘reconstrueren’ vol fantasie de tussenliggende mogelijke fasen. En díe worden in de schoolboeken gepubliceerd. Er zijn maar weinig mensen die weten dat enkel de volkomen ontwikkelde A en de volkomen ontwikkelde B werkelijk in de aardlagen te vinden is. Bovendien zijn deze reconstructies altijd gebaseerd op het skelet van dier A en B, en niet op de zachte delen en organen, terwijl de grootste evolutionaire veranderingen plaats hebben moeten vinden in die organen (denk maar eens aan hoe kieuwen longen zijn geworden, of koelbloedige dieren warmbloedig). Maar liefst 99% van de biologie van een organisme zit in zijn zachte anatomie, en die vind je niet in een fossiel. Wanneer evolutionisten dus een verklaring geven van hoe een vogel uit een reptiel zou kunnen zijn ontstaan op basis van een fossiel of skelet, dan laten ze 99% van het verhaal achterwege. Die 99% van het verhaal vullen ze overigens zelf in aan de hand van hun vooronderstelling. J. Shreeve zei daarom terecht in Discover (nr. 11, 1990):

“Fossielen zijn wispelturig. Beenderen zullen ieder liedje zingen dat jij wil horen.”

De genoemde paleontoloog Colin Patterson, zelf evolutionist, gaf dit eerlijk toe toen een lezer hem, als reactie op zijn boek Evolution vroeg een fossiel bewijs te tonen dat alle soorten uit één soort voortkwamen. Patterson antwoorde – eerlijker dan we meestal in pro-evolutionistische bladen zien – het volgende:

“Ik zal maar duidelijk zijn: er is niet één zo’n fossiel dat men als waterdicht argument kan zien. De reden is dat de bevindingen over afkomst en voorouders niet toe te passen zijn op de gevonden fossielen. (…) Het is gemakkelijk verhalen te verzinnen over hoe uit de ene soort de andere voortkwam, en redenen te vinden hoe dit begunstigd is door natuurlijke selectie. Maar zulke verhalen zijn geen deel van wetenschap, omdat er geen manier is ze op waarheid te testen.”

PROBLEEM C: Bij hun uitspraken over en reconstructies van kandidaat-overgangsmodellen die men werkelijk als fossiel gevonden heeft baseren de wetenschappers zich bijna altijd op één fragmentarisch fossiel of skelet, dat vaak ernstig onvolledig is. Sommige reconstructies zijn zelfs gedaan op basis van één tand of kaakbeen! Veelal zijn er beenderen samengeraapt uit meerdere skeletten die ver van elkaar vandaan gevonden worden. Dit zorgt ervoor dat de vondsten erg discutabel en voor vele uitleg vatbaar zijn. Reconstructies worden daarom in ernstige mate gekleurd door de vooronderstelling van de onderzoeker. Bepaalde reconstructies die we zullen bekijken zijn zelfs volkomen manipulatief en staan ver af van de werkelijk gevonden beenderen.

Alle uitleg die wetenschappers geven over evolutie, overgangsmodellen en voorouders van miljoenen jaren oud, zijn hypothetisch en niet gebaseerd op bewijzen of feiten. Hou goed in je achterhoofd wat Dr. T. N. Tahmisian zei: “Bij het uitleggen van evolutie hebben we geen enkel benul van de feiten.”

DE FEITEN: Wetenschappelijke bladen vermelden zelden of de uitspraken die zij doen een weergave zijn van hun hypothese, of van de controleerbare feiten. De reconstructies van overgangsvormen zijn daarom bijna altijd fantasierijke ‘mogelijke evolutionaire stadia’ die niet terug te vinden zijn in de aardlagen. Als men zich beroept op werkelijk gevonden overgangsmodellen, dan gaat het vaak om ernstig onvolledige skeletten die voor vele uitleg vatbaar zijn. Vooraanstaande wetenschappers onderkennen dat het uitleggen van evolutie niks te maken heeft met feiten, maar met hypotheses.


Evolutionaire voorouders – wat is er werkelijk gevonden?
Genoeg uitleg! We gaan nu stuk voor stuk de claims van gevonden overgangsmodellen langs die we de afgelopen 150 jaar gehad hebben. Ik hoop dat onderstaand onderzoek duidelijk zal maken dat de uiteenzettingen over de evolutionaire voorouders van diersoorten in evolutionistische lectuur in praktisch alle gevallen niet gebaseerd zijn op bewijzen uit de aardlagen, maar op theorie en hypothese.


De evolutie van micro-organismen tot meercelligen:
Evolutionisten geloven dat alle organismen zich ontwikkelden uit eencellige organismen (met 1 cel, dus). Door celdeling zouden vanuit de eencelligen individuen ontstaan zijn met 2, 4, 8, 16, 32, 64, 128, 256, enz. cellen. Als dit waar zou zijn, zouden we talloze van dit soort micro-organismen moeten vinden. Echter… in de huidige natuur én in de aardlagen komen geen zelfstandig levende soorten voor die de genoemde aantallen cellen hebben (namelijk van 2-265 cellen). Sterker nog, tussen de eencelligen en de circa 500-celligen zit niets.

Daarnaast is er een grote kloof tussen de bacteriën en de andere levende organismen: bacteriën hebben geen celkern, alle andere organismen wel. En de cellen die meercellige organismen dragen zijn een miljoen keer groter en oneindig keer complexer dan de cellen van bacteriën! De tussenliggende stadia zijn nooit teruggevonden en zijn dus tot op vandaag hypothese.

Om kort te gaan: men heeft nooit een overgangsvorm gevonden tussen eencelligen en meercelligen, noch tussen bacteriën en ander soorten.


De evolutie van planten en bloemen:
Volgens de evolutieleer komen alle organismen, dus ook planten en bloemen, voort uit hetzelfde micro-organisme. Wanneer we echter naar wetenschappelijke feiten kijken, zien we dat het bewijs hiervoor ontbreekt. ’s Werelds grootste online encyclopedie, Answers.com , zegt over de plantengroepen op aarde dat zij “gescheiden van elkaar zijn door grote morphologische hiaten”. De plantengroepen zijn inderdaad strikt gescheiden soorten; tussenvormen zijn er niet. Dit wijst meer in de richting van schepping van de grondsoorten met mogelijkheid tot micro-evolutie, dan naar geleidelijke macro-evolutie.

En wat zeggen de aardlagen eigenlijk? Want als planten voortkomen uit miljoenen jaren geleidelijke ontwikkeling, dan zouden we de voorouders en tussenvormen dáárin moeten terugvinden. The Natural History of Palms geeft ons het antwoord: “De meeste botanici hopen dat het fossielenverslag klaarheid zal brengen. Maar (…) er is geen hulp van dien aard ontdekt… Er zijn geen bewijzen van het voorgeslacht.”

Ook wat bloemen betreft zijn er allerhande theorieën over hoe zij zijn ontwikkeld. Voor die theorieën ontbreekt echter het bewijs. Wikipedia noemt dit, tussen neus en lippen door: “De eerste fossiele bewijzen van echte bloemen verschijnen 130 miljoen jaar geleden. Jammer genoeg is er geen fossiel bewijs van hoe bloemen exact ontwikkeld zijn; ze duiken op in volkomen geavanceerde vorm in het fossielenbestand.”

Met andere woorden: de bloemen duiken plotseling, geheel ontwikkeld op in gefossileerde vorm, in een aardlaag die men vanuit evolutionistische tijdsdiagrammen indeelt in 130 miljoen jaar. Primitieve bloemen of tussenstadia zijn er niet. Darwin was hiervan trouwens op de hoogte. Hij noemde het plotselinge verschijnen van bloemen in de aardlagen ‘een weerzinwekkend mysterie’.

DE FEITEN: Alle plantensoorten zijn strikt van elkaar gescheiden grondsoorten. De aardlagen tonen geen evolutie, noch enig bewijs over voorouders van de planten. Bloemen verschijnen volkomen ontwikkeld in de aardlagen; primitieve soorten, half-soorten of tussenstadia zijn er niet. Voor de evolutie van planten en bloemen uit andere vormen ontbreekt daarom alle bewijs vanuit de aardlagen. Alles wat je verteld wordt, is hypothese.


De evolutie van insecten en vliegende insecten:
Over de oorsprong van insecten zwijgen de aardlagen. Hoe ze zijn ontstaan is volgens wetenschappers niet duidelijk, en zelfs de groep waaruit ze ontstaan zouden zijn is niet bekend. De Encyclopaedia Britannica zegt hierover: “Het fossielenverslag biedt geen enkele informatie over de oorsprong van insecten.” En The Insects verklaart: “Er zijn geen fossielen bekend die laten zien hoe de primitieve voorouders van de insekten eruitzagen.”

Om precies te zijn duiken de insecten voor het eerst op in de aardlagen van het zogenaamde ‘Devoon’, dat is volgens evolutionistische tijdsdiagrammen 350 miljoen jaar geleden. Echter, deze insecten waren op het moment van verschijnen al volkomen ontwikkeld en zeer gespecialiseerd. Geleidelijke ontwikkeling ontbreekt volledig. Een nog groter raadsel voor de evolutionist is wanneer de insecten de vliegkunst ontwikkelden. Alle gevonden fossiele vliegende insecten waren namelijk al behendige vliegers die volkomen ontwikkeld waren, en er zijn in zijn geheel geen vondsten gedaan van tussenvormen van lichaamsdelen of vleugels. Met andere woorden: de insecten duiken op in de aardlagen als volkomen ontwikkelde dieren en de vliegende insecten duiken op in de aardlagen met volledig ontwikkelde vleugels. Tussenvormen of half-vormen zijn er niet. Vanuit de aardlagen is creatie aannemelijker dan geleidelijke evolutie.

DE FEITEN: Aardlagen onthullen niets over de oorsprong van insecten. Ze duiken op in de aardlagen als volkomen ontwikkelde dieren. Vliegende insecten duiken op in de aardlagen met volledig ontwikkelde vleugels. Tussenvormen of half-vormen zijn er niet. Voor de evolutie van insecten uit andere vormen ontbreekt dus alle bewijs vanuit de aardlagen. Alles wat je verteld wordt, is hypothese.


De evolutie van de eerste gewervelden:
Er zijn veel theoretische uitzettingen te vinden in populair-wetenschappelijke lectuur over hoe gewervelde organismen geëvolueerd zijn. Deze uiteenzettingen zijn echter niet gebaseerd op bewijzen uit de aardlagen. Ze zijn hypothetisch. De Encyclopaedia Britannica zegt hierover: “Fossiele overblijfselen verschaffen geen informatie over de oorsprong van gewervelden.” Francis Hitching van de Royal Archaeological Institute schreef:

“Er zouden kasten vol overgangsvormen moeten zijn – om precies te zijn zouden we verwachten dat de fossielen zo in elkaar overlopen dat het moeilijk vast te stellen is waar de ongewervelden stopten en de gewervelden begonnen. Maar dit is niet het geval. In plaats daarvan duiken groepen overduidelijke, makkelijk in te delen vissen in het fossielenbestand op, ogenschijnlijk uit het niets, mysterieus en plotseling, volledig gevormd en op de meest niet-Darwinistische manier. En voor deze vissen waren er ergelijke, onlogische hiaten waar hun voorouders hadden moeten zijn.”
(Uit: The Neck of the Giraffe: Darwin, Evolution and the New Biology, p.9,10).

Er zijn simpelweg geen fossielen die enig gewicht in de schaal leggen over de evolutie van gewervelden. Deze geavanceerde organismen met hun ontwikkelde wervelkolom verschijnen plotseling in de aardlagen zonder geschiedenis en zonder minder ontwikkelde voorouders. Ze zijn er gewoon opeens.

Toch noemen evolutionisten in hun studies dat gewervelden 530 miljoen jaar geleden ‘tot ontwikkeling kwamen’. Deze terminologie is al vrij misleidend, want de vondsten tonen helemaal geen ontwikkeling. Ze waren er opeens, kant en klaar en tot in detail ontwikkeld.

De eerste gewervelde zou volgens de theorieën een organisme zijn, genaamd de ‘Myllokunmingia’. Deze Myllokunmingia is in fossiele vorm teruggevonden en was een vis. Men dénkt op basis van vondsten dat hij een gewervelde was, maar weet het niet zeker. En als het al een gewervelde was, bewijst het nog absoluut niet dat hij de éérste gewervelde was. De vissen die tegenwoordig in de oceaan zwemmen zijn namelijk óók gewerveld. Sterker nog, de Myllokunmingia zoals in de aardlagen gevonden, lijkt sterk op een vis die tegenwoordig voorkomt (namelijk de slijmprik ). Er is geen enkele reden aan te nemen dat het om iets anders gaat dan een volkomen ontwikkelde vissoort. De reden dat deze vondst in de publiciteit wordt gebracht als de voorouder van de gewervelden is dat men de theorie bevestigd wil zien. Wetenschappelijke en empirische bewijzen ontbreken in zijn geheel. En trouwens, de Myllokunmingia wordt óók gezien als kandidaat voor de eerste vis. Want die moest ook nog gevonden worden.

Wat je overigens niet moet vergeten is dat tussenvormen of half ontwikkelde gewervelden ook nergens te vinden zijn. Zelfs als je heilig in de Myllokunmingia als eerste gewervelde gelooft, dan nog steeds duiken de gewervelden op in de aardlagen als compleet ontwikkelde dieren – want de stadia tot aan de Myllokunmingia ontbreken.

DE FEITEN: Voor de evolutie van gewervelden uit andere vormen ontbreekt alle bewijs vanuit de aardlagen. De fossielen tonen enkel en alleen volkomen ontwikkelde gewervelden. Tussenvormen of primitieve stadia ontbreken. Bewijzen uit de aardlagen dat de Myllokunmingia de eerste gewervelde was ontbreken eveneens; er is geen reden dat dit organisme iets anders was dan een normale vis met volkomen ontwikkelde wervelkolom. Alles wat je verteld wordt, is hypothese.


De evolutie van de eerste vissen:
Wanneer we evolutionistische lectuur openslaan over de evolutie van vissen, wordt er schoorvoetend bevestigd dat de aardlagen hierover niets, maar dan ook echt niets zeggen.

De Engelstalige Wikipedia zegt:

“Het vroege fossielenbestand aangaande vissen is niet erg duidelijk. Het lijkt erop dat het dier niet succesvol genoeg was in zijn vroege evolutie om veel fossielen na te laten.” 

Net als in alle vorige gevallen duiken vissen op in de aardlagen als volkomen ontwikkeld. Tussenstadia die de evolutionaire voorouders zouden moeten bewijzen, ontbreken. Toch wil men blijven geloven in een geleidelijke evolutie tot de vis, en daarom zegt men: die half-vissen of primitieve vormen waren er heus wel, maar die hebben geen fossielen nagelaten . Op die manier kunnen we alle hiaten en inconsequenties wel wegredeneren. Dat is geen wetenschap, maar bewijsvoering in cirkelredenering.

Theorieën over de evolutie van vissen zijn er wel, en die worden verkondigd alsof ze bijna bewezen zouden zijn. Er wordt wild gespeculeerd over hoe vissen zouden voortkomen uit manteldiertjes. Niet omdat hiervoor enig wetenschappelijk bewijs is, want verwantschap tussen manteldieren en vissen is ver te zoeken. Manteldiertjes lijken totaal niet op vissen, maar eerder op zeeanemonen. Ze zijn zelfs sessiel , wat wil zeggen dat ze zich met hun voet op een rots of andere stevige ondergrond vastzetten! En het belangrijkste van alles: overgangsstadia tussen de twee zijn nooit gevonden. De enige reden dat men de manteldieren als voorouder van vissen heeft aangewezen, is omdat hun larven (in de verte) iets weg hebben van volwassen lancetvisjes (Cephalochordata) . Dit is niet erg logisch, want dit zou betekenen dat de genoemde moedersoort zich op een bepaald moment zó ontwikkeld moet hebben dat deze niet meer volwassen werd, maar altijd in larve-vorm bleef. Dit soort vergezochte theorieën zijn allesbehalve gebaseerd op feiten. Men gelooft heilig in de vooronderstelling dat de vissen niet als soort geschapen zijn maar geëvolueerd moeten zijn uit eerdere organismen, en hoewel de aardlagen het tegenovergestelde beweren blijft men zoeken naar kandidaat-voorouders (zoals ik al aangaf wordt de Myllokunmingia ook voorgedragen als kandidaat voor de eerste vis). Marvels & Mysteries of Our Animal World maakt duidelijk dat er over de evolutie van vissen feitelijk niets bekend is: “Voor zover wij weten, was er geen ‘schakel’ die dit nieuwe dier verbond met enige voorgaande levensvorm. De vis verscheen gewoon.”

DE FEITEN: Voor de evolutie van vissen uit andere vormen ontbreekt alle bewijs vanuit de aardlagen. Vissen duiken op als volledig ontwikkelde grondsoorten; primitieve voorouders of eerdere evolutionaire stadia ontbreken. Overgangsvormen zijn nooit gevonden. De gedachte dat vissen uit manteldiertjes voortkomen is volslagen onbewezen en steunt niet op vondsten. Alles wat je verteld wordt, is hypothese.

De evolutie van vissen tot amfibieën
Volgens de evolutionistische visie ontwikkelden vissen zich in een bepaald stadium geleidelijk tot amfibieën. Hun vinnen werden langzamerhand pootjes, hun kieuwen werden stap voor stap perfect werkende longen, hun huid veranderde, ze kregen oogleden en soms een staart en hun instinct veranderde eveneens ingrijpend. In evolutionistische lectuur wordt dit verkondigd alsof men hier honderden fossiele bewijzen van heeft.

In realiteit is men tot op vandaag wanhopig aan het zoeken naar deze half-vis-half-reptielen. Alles wat men tot nu toe heeft gevonden is óf vis óf amfibie, maar nooit iets ertussen. Wel zijn er al veel kandidaten geweest. Men vond een fossiel van de (volgens evolutionistische diagrammen) 70 miljoen jaar oude Coelacanth-vis . Deze vis zou vinnen hebben gehad waarmee hij kon lopen over de zeebodem. Dat was, zo verkondigde men, een duidelijk overgangsmodel tussen vissen en reptielen en een groot bewijs van evolutie. En het was moeilijk deze theorie te verifiëren dan wel falsificeren omdat de Coelacanth al 70 miljoen jaar uitgestorven was en er alleen een dubieus fossiel te onderzoeken was. Maar plotseling dook de Coelacanth levend op in 1938 (de Latimeria chalumnae) ! Door het levende dier te onderzoeken bleek dat het de vinnen nodig had om zich goed door het water te kunnen manouvreren, en zeker niet om te lopen. En uit de zachte delen van het dier bleek dat het 100% vis was, en geen overgangsmodel. Er was niets amfibie-achtigs aan de soort. Toch werd, zoals in zoveel voorbeelden, de ontdekking van het overgangsmodel groots en overtuigend in de media gebracht, terwijl de ontdekking dat het toch geen overgangsvorm was een eenzame dood stierf. En het ergste is: als de Coelacanth niet levend opgedoken was, had hij nu nog steeds als bewijs van evolutie in de boeken gestaan.

Een nieuwere kandidaat is de Tiktaalik – een fossiel van een vis. Hij heeft vinnen, net als de Coelacanth, die evolutionisten als pootjes (of halfpootjes) interpreteren. Opnieuw toont het fossiel zó weinig informatie dat dit niet te bewijzen is. Net zoals bij de Coelacanth zouden we dus moeten wachten totdat er eentje in het echt opduikt.

Sommige wetenschappers noemen de Ichthyostega als eerste, primitieve amfibie. Van deze soort is echter geen overgangsvorm tussen vis en amfibie te maken. Het heeft volledig gevormde poten, schouders en bekken en is – hoe kan het ook anders – een volledig ontwikkelde amfibie.

Nog steeds is men op zoek naar het bewijs voor de hypothetische evolutie van de vis naar het amfibie. Maar omdat men, ondanks gebrek aan bewijs, bij vóórbaat zeker weet dat het waar is, wordt op scholen, in boeken, op internetsites en in wetenschappelijke lectuur stellig onderwezen dat ‘…de voorouders van amfibieën visachtig waren, met vinnen die op pootjes leken. Uiteindelijke veranderden deze vinnen in functionele beenderen en maakten ze de overgang naar op land levende dieren’ (Wikipedia). Geen van de lezers zal beseffen dat de bewijzen nog altijd afwezig zijn en dit niets meer is dan een wanhopige hypothese.

DE FEITEN: Voor de evolutie van amfibieën uit vissen ontbreekt alle bewijs vanuit de aardlagen. Tussenstadia en schakels zijn nooit gevonden. De ‘70 miljoen jaar geleden uitgestorven’ Coelacanth-vis die jarenlang als overgangsvorm werd gepropageerd bleek dat totaal niet te zijn toen hij levend opdook. Alle overgangskenmerken die aan hem werden toegeschreven door evolutionisten bleken pure inleg en fantasie toen men het dier in het echt kon onderzoeken.

De evolutie van amfibie tot reptiel
Evolutionisten geloven dat amfibiën in verloop van miljoenen jaren evolueerden tot reptielen. Ze begonnen eieren te leggen en sommige soorten begonnen zelfs hun kroost in leven te houden via een placenta om ze vervolgens levend geboren te laten worden. Dit is slechts een greep uit de grote veranderingen die plaats gevonden moeten hebben om te geloven in deze evolutie, maar zijn allen niet terug te vinden in de aardlagen. Ze zijn hypothese. The Reptiles vertelt over de evolutie amfibie naar reptiel:

“Een van de frustrerende kenmerken van het fossielenverslag (…) is, dat het zo weinig laat zien van de evolutie van reptielen in hun vroegste dagen, toen het hardschalige ei zich ontwikkelde.”

De Hylonomus en de Paleothyris worden door veel wetenschappers gezien als de eerste ‘echte’ reptielen. Niet omdat ze minder ‘reptiel’ zijn, maar enkel omdat ze van alle reptielen in de (volgens evolutionistische dateringsmodellen) ‘oudste’ aardlaag liggen. Het zijn echter volledig ontwikkelde reptielen, en ze staan niet ‘dichter’ bij de amfibieën. Het zijn nadrukkelijk géén overgangsvormen. Omdat men toch een overgangsmodel willen kunnen laten zien, wordt door een groot aantal geleerden het fossiel van een organisme genaamd de Seymouria onderwezen als de schakel tussen amfibieën en reptielen. Dit zorgt echter voor grote problemen. Allereerst is het niet hard te maken dat de Seymouria afwijkt van een gewoon amfibie. Zoals in alle eerdere gevallen is het gewoon een volkomen ontwikkelde grondsoort. Alleen voor wie veel fantasie heeft is het een overgangsmodel, want uit het fossiel valt dat niet af te leiden (net als bij de Coelacanth wordt hem het voordeel van de twijfel gegeven, omdat men toch geen levende soort heeft om het te verifiëren).

Maar nog erger is het feit dat de Seymouria in een aardlaag ligt die door evolutionisten wordt gedateerd op 280 miljoen jaar geleden, en dat maakt de Seymouria zo’n 30 miljoen jaar jonger dan de Hylonomus en de Paleothyris! Met andere woorden: de schakel tussen amfibie en reptiel is 30 miljoen jaar later ontstaan dan de eerste ‘echte’ reptielen zelf. De vroegste reptielen zijn een gigantische tijdsperiode ouder dan hun voorouders…

DE FEITEN: Voor de evolutie van reptielen uit amfibieën ontbreekt alle bewijs vanuit de aardlagen. Nooit zijn er tussenmodelen of overgangsvormen gevonden. De Seymouria, die door veel wetenschappers wordt voorgedragen als de ‘missing link’ tussen amfibie en reptiel, is een gewone amfibie. Hij kan onmogelijk het overgangsmodel zijn omdat er volgens evolutionistische datering al 30 miljoen jaar eerder reptielen leefden (de Hylonomus en de Paleothyris). Dit doet de hele hypothese in duigen vallen.

De evolutie van reptielen naar zoogdieren en vogels
Het volgende belangrijke stadium in de evolutie was de ontwikkeling van zoogdieren en vogels. Volgens de evolutietheorie hebben die zich vanuit reptielen ontwikkeld. De aardlagen zijn uitgekamd op zoek naar de bewijzen hiervoor, maar tot op heden zijn er geen tussenvormen ontdekt. The Reptiles onthult: “Er bestaat geen schakel tussen zoogdieren en reptielen”. Goede kandidaten voor de ‘oudste zoogdieren’ ontbreken eveneens; The Mammals zegt in dit verband: “Fossielen onthullen jammer genoeg heel weinig over de dieren die wij als de eerste echte zoogdieren beschouwen”.

Dit geld ook voor de overgang naar vogels. Waar Processes of Organic Evolution nog voorzichtig uitlegt dat ‘…de overgang van reptielen naar vogels minder goed met bewijzen gestaafd is’ , zegt The World Book Encyclopaedia zonder er omheen te draaien: “Er is nog geen enkel fossiel van zo’n vogelachtig reptiel gevonden.” Toch zul je in de schoolboeken wél afbeeldingen van zulke overgangsmodellen aantreffen. Evolutionisten hebben namelijk reconstructies gemaakt van hoe de evolutie verlopen zou kunnen zijn. Die tussenstadia zijn echter niet werkelijk in de aardlagen gevonden.

Toch zijn er een aantal fossielen die jarenlang (en sommigen nu nog steeds) als overgangsmodellen worden gepresenteerd. Sommige wetenschappers spreken over ‘zoogdier-achtige reptielen’ die overgangsmodel zouden zijn naar de ‘echte’ zoogdieren. Echter, T.S. Kemp schreef in The Reptiles that Became Mammals het volgende over deze organismen: “Elke soort zoogdierachtige reptiel die gevonden is, verschijnt plotseling in de aardlagen en wordt niet voorafgegaan door een soort die er de directe voorouder van is. De soort verdwijnt bepaalde tijd later weer abrupt, zonder soorten na te laten die er de afstammelingen van zijn” (New Scientist 92:583, 4 maart 1982). Er is dus helemaal geen geleidelijke ontwikkeling naar deze soort! De aardlagen tonen aan dat deze organismen die door bevooroordeelde Darwinisten worden bestempeld als ‘zoogdier-achtige reptielen’ in werkelijkheid helemaal niet voortkomen uit reptielen en ook niet de voorouders zijn van zoogdieren. Ze staan op zichzelf; iedere evolutionaire lijn ontbreekt. En hoe zoogdier-achtig ze werkelijk zijn is op basis van het fossiel niet te bewijzen en hangt af van de vooronderstelling van de onderzoeker. De verwachting echter is dat deze organismes net zo zoogdier-achtig zijn als de Coelacanth-vis amfibie-achtig bleek te zijn.

Wat de evolutie van reptielen naar vogels betreft, zullen velen de Archaeopteryx aanhalen als een voorbeeld van een overgangsmodel. En de Archaeopteryx is goed om onder de loep te nemen, want het is een van de meest populaire fossielen die jaren is geopperd als overgangsmodel. Wanneer critici de vraag stellen waarom er miljoenen overgangsvormen tussen organismen ontbreken, dan toont de evolutionist meestal de Archaeopteryx.

Deze Archaeopteryx had vele kenmerken die ervoor zorgden dat de meeste onderzoekers hem onmiddelijk indeelden als een vogel (Aves). Hij was zo groot als een duif en had een volkomen ontwikkeld verendek. De complex ontworpen veren die dit dier had waren identiek aan die van moderne vogels. Het dier vloog. Het postuur van het dier was ook gelijk aan die van vogels, net als de poten en de nek. In feite was de Archaeopteryx in alles een vogel. Echter, de Archaeopteryx had ook een aantal kenmerken die onderzoekers omschreven als ‘reptiel-achtig’. Zo had het dier een staart die langer is dan de meeste moderne vogels hebben, en het bezat tanden – iets wat moderne vogels niet hebben. Toch is het veel te kort door de bocht om de Archaeopteryx op basis dáárvan een overgangsmodel te noemen. Immers, een aantal andere uitgestorven vogels die men teruggevonden heeft had ook tanden, zoals de Icthyornis en Hesperornis – en die waren onbetwistbaar 100% vogel.

In 1977 werd er een ontdekking gedaan die de Archaeopteryx als overgangsmodel volledig op losse schroeven zette: men vond een vogel die zonder enige twijfel een echte, volkomen ontwikkelde vogel is, in een aardlaag die volgens evolutionistische indeling 60 miljoen jaar ouder is dan de Archaeopteryx (deze vondst is bevestigd door Dr. James Jensen van de Brighan Young University, en werd aangekondigd in Science-News 112, Sep. 1977 p.198)! Net als bij de Seymouria laat dit alle hoop varen dat we het over een overgangsmodel hebben. De voorouder van de vogel kan onmogelijk 60 miljoen jaar later geleefd hebben dan zijn nakomelingen. Het is bewezen dat de Archeopteryx geen overgangsmodel van reptiel naar vogel is. Het genoemde artikel in Science-News citeert prof. John Ostrom van Yale University: “We moeten nu zoeken naar de voorouders van vliegende vogels in een veel vroegere tijdsperiode dan de tijd waarin de Archaeopteryx leefde.” De vondst laat alles in duigen vallen en heeft (gelukkig) veel wetenschappers overtuigd dat de Archaeopteryx een vogel is, en niets dan een volkomen ontwikkelde vogel. Een unieke vogel, maar zeker geen half-reptiel.

Maar zelfs zonder de ontdekking van vogels in oudere lagen was het vele geleerden al duidelijk dat we de Archaeopteryx niet als een half-reptiel mogen voordoen. Dr Alan Feduccia, een belangrijke autoriteit op het gebied van vogels aan de University of North Carolina en zelf een evolutionist, zei: “Paleontologen hebben getracht de Archaeopteryx te veranderen in een aan de grond gebonden, gevogelde dinosaurus. Maar dat is het niet. Het is een vogel, een die op boomtakken leefde. En geen enkele hoeveelheid ‘paleogebabbel’ gaat dat veranderen.” (Feduccia, A. – Archaeopteryx: Early Bird Catches a Can of Worms, Science 259, 5 February 1993.)

De evolutionist A.J. Marshall beaamde dit, door in Biology and Comparative Physiology of Birds (Academic Press 1960 p.1) te stellen: “De oorsprong van vogels is een voorbeeld van een afgeleide waarheid. Er is geen fossiel van de stadia waardoor de opmerkelijke verandering van reptiel naar vogel tot stand is gekomen.”
Tenslotte is het goed om op te merken dat de Archaeopteryx op zichzelf staat in de aardlagen. Er zijn geen fossielen van zijn ‘voorouders’, noch van soorten die uit hem voortkwamen. Hij verschijnt plotseling volkomen ontwikkeld en verdwijnt weer zonder in enige evolutionaire lijn geplaatst te kunnen worden. Net als bij alle vorige voorbeelden tonen de aardlagen totaal geen opgaande evolutionaire ontwikkeling en zijn alle zogenaamde ‘overgangsmodellen’ in realiteit allesbehalve tussenstadia, maar volkomen ontwikkelde grondsoorten.

Het zure is dat de Archaeopteryx nog stééds in schoolboeken getoond als belangrijkste voorbeeld van evolutie! De waarheid wordt in evolutionistische lectuur ernstig geweld aan gedaan. De Amerikaanse wetenschappelijke website Nova zegt over de Archeopteryx: “Dit fossiel uit het Jura toont, in fijn detail, de vorm van een kleine dinosaurus met veren. Het ontketende een revolutie in ons begrip van hoe vogels evolueerden.” Het is ronduit te gek voor woorden dat dit op deze wijze voorgesteld wordt, want het is simpelweg niet waar. Allereerst is er geen enkele grond voor het fossiel een dinosaurus te noemen – het is een vogel, men wil hem alleen graag zien als een dinosaurus. Ten tweede heeft de vondst van de Archeopteryx helemáál geen revolutie ontketend die wetenschappers liet zien hoe vogels evolueerden. Grote onzin! Het is precies andersom. Darwin beweerde in 1859 dat vogels uit reptielen voortkwamen, en de Archeopteryx was een zogenaamd bewijs om die vooronderstellig te kunnen onderschrijven.

DE FEITEN: Voor de evolutie van zoogdieren en vogels uit reptielen ontbreekt alle bewijs vanuit de aardlagen. Tussen zoogdieren en reptielen bestaat geen enkele schakel. Van fossielen zoals die van de Archeopteryx is het al in 1977 bewezen dat ze onmogelijk overgangsmodellen kunnen zijn. Hoewel de meeste wetenschappers dit onderschrijven, wordt het fossiel tot op vandaag aan leerlingen getoond als een knap staaltje evolutie. In realiteit is er geen enkel bewijs in de aardlagen van tussenstadia tussen reptiel en zoogdier of vogel. Alles wat ze je vertellen is pure hypothese.

De evolutie van landlevende zoogdieren tot walvissen
Nu komen we aan bij een opmerkelijk hoofdstuk in het boek van evolutie. Persoonlijk vind ik de wijze waarop de hypothetische evolutie van (op land levende) zoogdieren tot walvissen een van de meest ernstige voorbeelden van manipulatieve weergave van feiten. De ‘reconstructies’ die gedaan zijn om dit hiaat in de aardlagen op te vullen zijn niet wetenschappelijk, maar misleidend.

Cetacea (walvissen en dolfijnen) zijn bijzondere dieren. Het zijn namelijk zoogdieren die in het water leven. Ze hebben tal van unieke kenmerken en zijn perfect ontworpen voor het leven in het water. Sommige soorten maken zelfs gebruik van een uitermate ingewikkeld sonarsysteem. Bovendien missen ze beharing en hebben ze geen bekken of heupen – dit in tegenstelling tot de landlevende zoogdieren. Evolutionisten geloven dat de Cetacea geëvolueerd zijn uit zoogdieren die op het land leefden. Echter, duidelijke overgangsmodellen zijn nooit gevonden. Evolutionistische walvis-experts als E.J. Slijper beaamden dit. In Dolphins and Whales (p. 17) zegt Slijper: “We bezitten geen enkel fossiel van de overgangsmodellen tussen de genoemde landzoogdieren en de walvissen.” Eigenlijk is het net zoals bij alle eerder genoemde organismen. De walvissen die we terugvinden in de alleroudste lagen waren al volkomen ontworpen voor het water. We zien – zoals tot nu toe in alle gevallen – geen primitievere vormen terug die dichter bij landlevende zoogdieren stonden.

Maar in pro-evolutionistisch onderwijs zoals Teaching about Evolution and the Nature of Science wordt iets heel anders verkondigd. Daarin wordt gesteld dat walvissen ‘evolueerden uit een primitieve groep van zoogdieren met hoeven”! Waar zijn deze overgangsvormen dan op gebaseerd? Laten we het nader onderzoeken.

Onderzoekers vonden in de aardlagen van 50 miljoen jaar geleden het volgende – zeer onvolledige skelet:

Het zou mogelijk een in water levend dier hebben kunnen zijn, al is dat op basis van de beenderen niet te bewijzen. Merk op dat tussen de gevonden beenderen niet eens een bekken te vinden is. Met hun evolutionistische vooronderstelling ‘reconstrueerden’ de wetenschappers het skelet tot een overgangsmodel tussen zoogdieren en walvissen. Cruciale elementen, zoals het bekken dat normaal mist bij de in water levende zoogdieren, werden er gewoon bijverzonnen om het aannemelijker te maken als tussenmodel:

Op dit punt is al niet meer te verifiëren of het organisme er wérkelijk zo uitzag. Zelfs als het dier wel een bekken had, dan is het nog steeds een fantasierijke reconstructie waarbij aannames gedaan moeten worden die oncontroleerbaar zijn. De geschiedenis heeft bewezen dat dit soort weergaves er ernstig naast kunnen zitten. Maar het gaat nog een stap verder. Het organisme kreeg de naam Ambulocetus en wordt tegenwoordig als volgt getoond aan het publiek:

Het dubieuze skelet is plotseling veranderd in een half-zoogdier! Het heeft een behaarde huid en een bek als een soort hond gekregen. Al deze zoogdier-elementen zijn er ingelegd en behoorden niet de oorspronkelijke vondst. Om het dier te kunnen gebruiken als schakel tussen zoogdieren en walvissen heeft men er informatie ingestopt die we simpelweg absoluut niet kunnen weten. Maar volgens evolutionisten is dit een primitief overgangsmodel tussen zoogdier en walvis dat 50 miljoen jaar geleden in het water zwom.

De belangrijkste claims die evolutionisten doen over de aard van de Ambulocetus kunnen niet eens kritisch onderzocht worden. De evolutionistische bioloog Annalisa Berta gaf als commentaar op het fossiel dat we weinig kunnen zeggen over het voortbewegingssysteen van de Ambulocetus, omdat het bekken niet bewaard is gebleven (te lezen in Science 263, 1994, Fossil Evidence for the Origin of Aquatic Locomotion in Archeocete Whales door J.G.M. Thewissen, S.T. Hussain, and M. Arif). En hoe dan ook: we hebben het over slechts één fossiel dat is teruggevonden , waar gigantisch vergaande theorieën aan gekoppeld worden!

En zelfs als je al deze argumenten wegdenkt, is er nog een andere reden om de Ambulocetus te verwerpen als overgangsmodel: het fossiel is van recentere datum dan gevonden fossielen van onmiskenbaar echte walvissen. Dit maakt het onmogelijk dat we het over een overgangssoort hebben.

Maar men heeft nog meer fossielen gevonden die bestempeld zijn als overgangsmodel tussen zoogdieren en walvissen. Men vond de fossiele restanten van een organisme dat de boeken inging als de Basilosaurus . Dit organisme, zo blijkt uit het skelet, was een zeezoogdier van 21 meter lang. Dit is maar liefst 10 keer zo groot als de Ambulocetus! Echter, het pro-evolutionistische Teaching about Evolution beeldt het dier af in dezelfde grootte als de Ambulocetus, om het aannemelijk te maken als overgangsvorm.

In tegenstelling tot de Ambulocetus is het bij de Basilosaurus duidelijk dat het een waterzoogdier was. Echter, het dier leefde volkomen in het water, net als moderne walvissen, en het is moeilijk er een tussenvorm van te maken tussen zoogdieren. Er is weinig aan het fossiel waaruit we kunnen afleiden dat er ook maar iets zoogdier-achtigs aan was. Barbara Stahl, paleontologe op gebied van gewervelden en bovendien een evolutioniste, legde in haar boek Vertebrate History: Problems in Evolution over het fossiel uit: “De slangvormige bouw van het lichaam en de aparte vorm van het kaakbeen maken het duidelijk dat deze archaeocetes [zoals de Basilosaurus] niet een mogelijke voorouder van moderne walvissen kan zijn geweest.” Kortom: de Basilosaurus is op basis van het fossiel niet te koppelen aan zoogdieren , maar was een volledig waterzoogdier. Hij is gezien zijn bouw evenmin te koppelen aan walvissen . Hoe is het mogelijk dat het dier dan wordt verkondigd als zijnde een overgansmodel tussen die twee? Het dier wordt zelfs volkomen tegen de werkelijkheid in afgebeeld als een zwart-witte half-walvis, om het gewensde beeld te versterken…!

Teaching about Evolution zegt daarnaast dat de Basilosaurus kleine ledematen had waarvan men dacht dat ze niet functioneel meer waren. Dit is echter niet waar. Zelfs veel evolutionisten zijn het erover eens dat de Basilosaurus deze lichaamsdelen nodig had tijdens het paren.

Maar een van de meest opzienbarende voorbeelden van reconstructies is de Pakicetus inachus, een ander kandidaat-overgangsmodel in de ogen van sommige evolutionisten. De wijze waarop dit organisme door bladen en boeken is weergegeven is ronduit onwetenschappelijk, misleidend en manipulatief.

Volgens evolutionistische dateringsmethodes leefde de Pakicetus inachus 52 miljoen jaar geleden, en meerdere onderwijspublicaties hebben hem als overgangsmodel tussen zoogdieren en walvissen geleerd. Van het dier is enkel een paar kaakbeen-, tand- en schedelfragmenten teruggevonden. Enkel de rood gekleurde delen behoren tot het gevonden fossiel; het witte deel is reconstructie:

Met gigantische speelruimte en een grote fantasie heeft de wetenschapper Gingerich de volgende ‘reconstructie’ gemaakt van het dier, die zelfs onderwezen werd aan (school)leraren en geplaatst werd op de cover van het populaire wetenschapsblad Science:

Op basis van een paar stukjes kaak, tand en schedel hebben de zogenaamde ‘wetenschappers’ van het dier een zwemmend, in water levend dier gemaakt dat op vissen jaagt en lijkt op een walvis! 

En het wordt aan het volk getoond als zijnde een overgangsvorm tussen zoogdier en walvis. En daar komt nog bij dat aan zijn hoormechanisme is af te leiden dat het een zoogdier was, en dat hij samen met andere landdieren gevonden is in sedimenten die door stromend water gevormd zijn! Het gaat dus niet om een in water levend zoogdier, maar om een op land levend zoogdier dat door vloedwater verrast werd.

Een prominente walvisexpert, Thewissen, groef nog meer beenderen op van de Pakicetus, en publiceerde zijn bevindingen in Nature. Zijn ontdekkingen veegden de gedachte dat de Pakicetus een in water levend landzoogdier was van tafel. In het commentaar werd verteld: “Alle postcraniale beenderen tonen aan dat de Pakicetids landzoogdieren waren, en (…) tonen aan dat deze dieren renners waren, waarbij enkel hun voeten de grond raakten” (Nature 413, 2001). Dit is héél wat anders dan de manipulatieve voorstelling die Gingerich publiceerde! Met de nieuwgevonden beenderen erbij bleek het dier een hele andere bouw te hebben:

Het is duidelijk een landzoogdier zonder enige connectie tot de walvis. Hij leefde op het land, was een uitstekende renner en was op geen enkele wijze aangepast aan het leven in water.

Nieuwe reconstructies op basis van dit hele skelet lieten het volgende plaatje zien van de Pakicetus, waarin duidelijk wordt dat we dit dier onmogelijk als overgangsmodel tussen zoogdieren en walvissen kunnen blijven zien:

Toch blijft men, ondanks het gebrek aan enig bewijs en ondanks alle tegenbewijzen bij de evolutionistische vooronderstellingen. Want het blad beschrijft de Pakicetus nog steeds als ‘landlevende cetacean (=walvisachtige)’ en stelt: “…de eerste walvissen leefden volledig op het land, en waren efficiënte renners”. Met andere woorden: een wetenschapper heeft ooit op basis van enkele kaak-, tand- en schedelfragmentjes een fossiel omgedoopt tot half-walvis, en zelfs als blijkt dat het dier een volkomen ontwikkeld landzoogdier was zonder enige connectie met een walvis, blijft men het dier als een voorouder van de walvis onderwijzen! Hoe zelfcorrigerend is wetenschap?

We mogen in ieder geval blij zijn dat de latere onderzoeken de eerst gepubliceerde reconstructie van de baan hebben geveegd. Toch laat dit voorval zien hoe ontzettend fantasierijk reconstructies gedaan worden en hoe makkelijk dit naar de buitenwereld gebracht wordt als waarheid! Zoals vaak vindt men later meerdere botten terug en blijkt dat het skelet helemaal niet als overgangsmodel gezien kan worden, maar tot een vaste grondsoort behoort. Het is een feit dat overgangsvormen vaak vol overtuiging in de media worden gebracht, terwijl – als men erachter komt dat het toch niet zo was – dit nagenoeg geen aandacht krijgt. Overigens zijn sommige evolutionisten nu van mening (op basis van fossiel ‘bewijs’) dat walvissen voortkomen uit varkensachtigen (beschreven in het artikel Fossil Finds Show Whales Related to Early Pigs ). Blijkbaar zeggen de fossielen telkens wat anders? Of ligt het aan de interpretatie van de onderzoeker wat een fossiel zegt? Gingerich, die de eerstgenoemde reconstructie gemaakt had, zegt in het genoemde artikel: “De paleontologen, en ik ben er een van, zaten fout.” Het is jammer dat de wetenschap niet eerst een claim op waarheid onderzoekt voor het in schoolboeken te plaatsen!

Het is nog waardevol te vermelden dat soorten als de Pakicetus en Ambulocetus plotseling in de aardlagen opduiken zonder voorgeschiedenis en zonder te veranderen in een andere soort. Een Russische walvisexpert genamd G.A. Mchedlidze, heeft serieuze twijfels geuit over de vraag of wezens als de Pakicetus en Ambulocetus aangezien kunnen worden als voorouders van walvissen. Volgens hem zijn het volkomen aparte diersoorten.

Een ook de twee soorten moderne walvissen, de Odontoceti en de Mysticeti , verschijnen plotseling en zonder voorgeschiedenis in de aardlagen. Er is geen connectie naar de gevonden (onvolledige) fossielen. Er is uberhaupt geen enkele reden in de aardlagen te vinden dat walvissen geëvolueerd zijn uit andere soorten vanwege de onomstotelijk aanwezige stasis en plotselinge verschijning! Het is en blijft dus onwetenschappelijk gepuzzel met enkele halve fossielen die niets met elkaar te maken hebben. Hierbij refereer ik nogmaals aan de (nota bene zélf evolutionistische) paleontoloog Colin Patterson, die zei: ”Het is gemakkelijk verhalen te verzinnen over hoe uit de ene soort de andere voortkwam, en redenen te vinden hoe dit begunstigd is door natuurlijke selectie. Maar zulke verhalen zijn geen deel van wetenschap, omdat er geen manier is ze op waarheid te testen.”

In werkelijkheid onthullen de aardlagen niets over evolutie. Ze onthullen overtuigend dat alle diersoorten aparte scheppingen zijn die niet uit elkaar voortkomen en verdwijnen zoals ze gekomen zijn.

Tenslotte is één van de belangrijkste en oudste redenen voor evolutionisten om te geloven in walvisevolutie de aanname dat walvissen rudimentaire poten hebben in hun vlees. Ze wijzen daarmee op kleine botten die geen functie meer zouden hebben. Echter, het is gebleken dat deze ‘restanten’ helemaal niet nutteloos zijn. Ze ondersteunen de voortplantingsorganen en zijn zelfs verschillend bij mannetjes en vrouwtjes! Ze wijzen op creatie, niet op evolutie. Toch wordt de mythe van de disfunctionele rudimentaire poten nog steeds in boeken en lesmateriaal genoemd als voorbeeld van evolutie. Net als bij de zogenaamd ‘functieloze’ ledematen van de Basilosaurus betekent het negeren van de functie niet dat er geen functie is!

DE FEITEN: Voor de evolutie van walvissen uit landlevende zoogdieren ontbreekt alle bewijs vanuit de aardlagen. De Ambulocetus is een op fantasierijke wijze gereconstrueerd ‘overgangsmodel’ en bevat in realiteit geen controleerbare kenmerken van zoogdieren. Bovendien leefde hij later dan de volkomen ontwikkelde walvissen. De Basilosaurus faalt als overgangsmodel omdat hij niet te koppelen is aan zoogdieren; het was een volledig waterzoogdier. Hij is gezien zijn bouw evenmin te koppelen aan walvissen – hij staat op zichzelf in de aardlagen. De Pakicetus Inachus werd op basis van enkele kaak-, tand- en schedelfragmenten gereconstrueerd tot half-wavis zonder dat enige grond daarvoor aanwezig is. Nadat meerdere botten teruggevonden waren, bleek het te gaan om een landlevend zoogdier dat in de verste verte niets wegheeft van een walvis. Ook de mythe dat walvissen disfunctionele rudimentaire poten zouden hebben is ontkracht, aangezien deze beenderen een functie hebben ter ondersteuning van de voortplantingsorganen en zelfs voor mannetjes en vrouwtjes verschillend zijn. De evolutie van walvissen is daarom nog altijd pure hypothese.

De evolutie van apen tot mensen
De laatste fase in de evolutie was het moment dat een uitgestorven chimpanseesoort rechtop begon te lopen, niet meer in bomen klom maar zich ontwikkelde tot de mens. Evolutionisten geloven dat er al sinds 4 miljoen jaar ‘aapmensen’ (hominiden genoemd) op aarde liepen die zich geleidelijk ontwikkelden tot de moderne mens, Homo sapiens. Je moet je ten eerste goed beseffen dat als dit werkelijk zo zou zijn, we letterlijk miljarden en miljarden aapmensen zouden moeten vinden in de grond (reken maar eens uit – een miljard jaar ‘aapmensheid’ zonder anticonceptie). Toch blijven deze bewijzen uit.

Regelmatig wordt de afbeelding getoond waarin je de evolutie van aap tot mens ziet – stapje voor stapje wordt hij minder behaard, begint hij meer rechtop te lopen en wordt hij meer menselijk. Je zou bijna geloven dat evolutionisten duizenden fossielen en skeletten gevonden hebben die samen onomstotelijk bewijsmateriaal leveren. Maar niets is minder waar. De meeste reconstructies van aapmensen zijn gedaan op basis van één discutabel skelet of zelfs klein deel van een skelet en zijn zelfs volgens bepaalde vooraanstaande wetenschappers allemaal afkomstig van óf apen, óf mensen .

Sommige aapmensen die trots over de wereld gingen bleken zelfs vervalsingen te zijn die nauwelijks gerectificeerd zijn in de media! Maar goed, laat ik niet voor mijn beurt spreken. Laten we de claims van de evolutionisten eens grondig onderzoeken. Laten we in alle geallen eens kijken wat er werkelijk gevonden is. En laten we eens kijken wat experts zeggen over deze vondsten. Is het bewijsmateriaal echt zo duidelijk?

De afgelopen 150 jaar was een komen en gaan van aapmensen. Het rijtje zag er 50 jaar geleden nog aanzienlijk anders uit, aangezien van veel van de oorspronkelijke aapmensen later bleek dat ze helemaal geen aapmens waren, maar volledig aap óf mens. N egen van de twaalf aapmensen die evolutionisten vonden (van Pliopithecus tot Australopithecus Afarensis ) blijken op basis van het fossiel volledig aap te zijn en helemaal niet half-mens. Enkel de bevooroodeelde inleg van de onderzoeker kon er een halfmens van maken. Het waren vaak uitgestorven apen of zelfs apenbeenderen gecombineerd met die van mensen! Sommige aapmensen (zoals de Homo erectus, Neanderthaler en Cro Magnon man ) bleken volledig mens. Laten we er wat dieper op ingaan.

Nadat Darwin’s theorie massaal werd aangenomen is men ijverig in de aardlagen op zoek gegaan naar de verwachte schakels tussen aap en mens. Toen men op meerdere plaatsen skeletten vond van mensen die wat kleiner van postuur waren, werden deze geaccepteerd als zijnde aapmensen en Homo Erectus genoemd – de ‘eerste mensachtige die rechtop liep’. De herseninhoud van de Homo Erectus zou te klein zou zijn voor normale mensen – later bleek het nagenoeg gelijk aan de herseninhoud van de gemiddelde Europeaan. De Homo Erectus is het schoolvoorbeeld van de macht van de vooronderstelling. Men wilde zo graag aapmensen zien, dat men van deze skeletten ook aapmensen maakte. Latere studies aan het gehoororgaan hebben uitgewezen dat de Homo erectus gelijk was aan ons. Er zijn zelfs restanten van de Homo erectus gevonden in dezelfde aardlagen als de Homo sapiens , wat duidelijk maakt dat ze gelijk leefden. Tegenwoordig is er grotendeels overeenstemming in de wetenschappelijke wereld dat de Homo Erectus niet als aapmens gezien mag worden. Zelfs sommige evolutionisten vinden dat hij vernoemd moet worden naar Homo Sapiens – een gewone moderne mens.

Toen vond men in Europa skeletten van mensen met een wat kleiner postuur die wat meer voorover liepen en noemde hen Neanderthalerseen nieuwe schakel tussen aap en mens. Later kwamen andere wetenschappers erachter dat dit volkomen ontwikkelde mensen waren die aan rachitis leden, veroorzaakt door vitamine-d-gebrek gedurende de kindertijd. Dat kan namelijk resulteren in het buigen van het skelet en vervorming van de hersenen. Dit kan een aanwijzing zijn dat het gaat om donkergekleurde mensen die uitstierven in Europa (donkergekleurde mensen maken vanwege hun pigment niet genoeg vitamine-d aan als ze niet in zonnig gebied leven). Hoewel Neanderthalers vaak zijn afgebeeld als behaarde half-apen, blijkt uit moderne reconstructies dat ze écht volledig mens zijn. De kleine variaties in hun skelet ten opzichte van de gemiddelde moderne mens, inclusief het gemiddeld grotere schedelvolume zijn niet afwijkend van andere fysieke verschillen tussen verschillende groepen mensen heden ten dage (zet maar eens Pigmeeën naast Nederlanders). Deze variaties zijn aangetoond als consistent met de genetische eenheid van het mensdom. Nog steeds worden Neanderthalers zo nu en dan vermeld als aapmensen (of zelfs als een primitieve mensensoort die apart van de mens ontwikkeld is). Echter, de vondsten van Neanderthalers zelf sluiten dit uit.
Hét kenmerk van de mens is dat hij intelligent is, gebruikmaakt van gereedschappen, zijn doden begraaft, met vuur kan omgaan, religieuze ceremoniën volbrengt, over een complexe spraak beheerst en muziekinstrumenten bespeelt. Uit de vondsten weten we dat de Neanderthaler al deze eigenschappen bezat. De Neanderthalers zijn allemaal gevonden op plekken waar ze begraven zijn (meestal in grotten), en op 4 locaties zijn Neanderthalers zelfs samen met ‘gewone mensen’ begraven. Dit toont aan dat het geen soort is die apart van de ‘moderne mens’ ontstond of miljoenen jaren geleden leefde, maar dat het om gewone mensen ging, die aan een ziekte als rachitis leden.

De Cro Magnon man is volledig gelijk aan de ‘moderne’ mens maar werd in het schema geplaatst vanwege gelijkgedateerde rotstekeningen die men als primitief zag.
De reconstructies van deze aapmensen zijn gebaseerd op enkel speculatie en hypothese. Veel van de zogenaamde aapmensen zijn gereconstrueerd op basis van enkel en alleen een beenbot, een heupbeen, een knieschijf, een tand of een mondfragment! De reconstructie van de Piltdown mensDryopithecus, Ramapithecus en Hesperopithecus zijn zelfs gebaseerd op enkel een tand of kaakbeen! Ze kregen een naam, werden met veel fantasie gereconstrueerd en gepresenteerd het aan het publiek als een feit. Veel van de aapmensvondsten bleken later zelfs beenderen van een varken, ezel of aap te bevatten of bleken zelfs een hoax te zijn – een regelrechte vervalsing. En dat terwijl er al boeken vol over geschreven waren!

De Piltdown Mens is een voorbeeld van een aapmens dat later een vervalsing bleek te zijn. Het is een voorbeeld dat je in moderne lectuur niet vaak tegen zult komen omdat het zo schandalig is. De in Groot-Brittannië gevonden skeletresten van de Piltdown Mens werden officieel erkend als aapmens, gedateerd op 500.000 jaar oud en zelfs gevalideerd door veel van Engeland’s belangrijkste wetenschappers (waaronder Grafton Elliot Smith, de anatoom Sir Arthur Keith en de geoloog Arthur Smith Woodward). Toen de ontdekking bekend werd kopte de New York Times met grote letters: “Darwin’s Theorie op waarheid bewezen” . Veertig jaar lang werd het skelet gezien als een fascinerend bewijs voor evolutie. Het verscheen in boeken, reconstructies werden gemaakt en allerhande theorieën ontwikkeld over de oorsprong van de mens. Het type aapmens kreeg de naam Eoanthropus Dawsoni en werd breed gepresenteerd. Evolutie was eindelijk bewezen!

Echter… in 1953 kwam men erachter dat de schedel van de Piltdown Mens van een moderne mens afkomstig was, maar het kaakbeen en het gebit van een orang oetan . De tanden waren professorisch afgevlakt om het meer mensachtig te laten lijken. Zelfs de werktuigen van de Piltdown Mens bleken bij elkaar geraapt te zijn. En je moet je voorstellen dat er in de jaren voordat de fraude aan het licht kwam zo’n 500 doctorale studies geschreven waren over de Piltdown Mens. Sir Arthur Keith schreef zelfs een boek waarin de Piltdown Mens centraal stond, The Antiquity Of Men. In musea werden gipsen beelden geplaatst met reconstructies van hoe deze aapmens eruit gezien had en aan het publiek getoond. Hoe geloofwaardig zijn de vondsten van aapmensen die ons getoond zijn eigenlijk nog als de wetenschap vondsten die in de hypothese passen zo slecht onderzoekt? De Piltdown Mens had zelfs beschadigingen van het vijlen in het gebit! Topwetenschappers hadden toegang tot de Piltdown Mens en het skelet is in laboratoria onderzocht.

Gary Parker zegt over de Piltdown Mens in Origin Of Mankind: “Voor meer dan 40 jaar, van 1912 tot de jaren ’50, was de subtiele boodschap van de wetenschappelijke autoriteit helder: ‘Je kunt in creatie geloven als je wil, maar de feiten zijn allemaal aan de zijde van evolutie.’ De feiten in deze zaak bleken een aap’s kaak met geveilde tanden en een menselijke schedel, beiden beklad om hem ouder te laten lijken. Piltdown beantwoordt in ieder geval een veelgestelde vraag: ‘Kunnen praktisch alle wetenschappers fout zitten wat betreft zo’n belangrijke kwestie als de menselijke oorsprong?’ Het antwoord is nadrukkelijk: ‘Ja, en het zou niet de eerste keer zijn.’ Meer dan 500 doctorale studies waren uitgeoefend op de Piltdown mens, en toch was al dit intensieve onderzoek niet in staat de vervalsing aan het licht te brengen.” (Gary Parker, Ed.D. in “Origin of Mankind”, ICR)

Zelfs hooggeschoolde wetenschappers bleken alleen te zien wat ze hoopten te zien en te negeren wat niet in de hypothese paste! Tegenwoordig wordt de Piltdown mens niet vaak meer aangehaald. En als er wel over gesproken wordt, worden zaken toch enigszins vergoeilijkt door te stellen dat ‘de Piltdown mens de wetenschappers 40 jaar lang voor een raadsel stelde’. De werkelijkheid is dat de wetenschap de Piltdown mens aanvaarde zonder onderzoek en er 40 jaar lang doctorale studies over onze herkomst op baseerde!

En zulke vervalsingen zijn vaker ontmaskerd. In veel gevallen werd dit niet zo publiekelijk naar buiten gebracht als bij de Piltdown Mens, omdat men wachtte op een vondst die wél kon doorgaan als de schakel in evolutie. Niemand behandelt tegenwoordig nog de Ramapithecus als onze voorouder, of Leakey’s Nutcracker Man . Maar de verwerping van deze vondsten gebeurde pas, toen andere voorouder-kandidaten zich voorgedaan hadden. Wetenschappers willen veel te graag evolutie zien en bewijzen. Toen de zogenaamde Toumai Schedel (Sahelanthropus tchadensis) gevonden werd, bracht men hem naar buiten als ‘de oudste menselijke voorouder’ en als een van de meest significante vondsten in de geschiedenis. Echter, al enkele dagen later kwam er kritiek op die uitspraak: het zou goed kunnen gaan om een vrouwelijke gorilla – helemaal geen aapmens.
En zelfs al zou de vondst van een aapmens als de Piltdown Mens niet een vervalsing zijn – hoe objectief is het om aan één skelet zulke gigantische studies en theorieën te koppelen en hem als aapmens te presenteren? Dr. Robert Martin, (Senior Research Fellow, Zoological Society of London), zei niet voor niets: “In recente jaren hebben verschillende auteurs populaire boeken geschreven over de oorsprong van de mens, die meer gebaseerd waren op fantasie en subjectiviteit, dan op feiten en objectviteit.”

Een tegenwoordig populaire aapmenskandidaat is Lucy, zoals de beroemde in 1974 gevonden botfragmenten van een zogenaamde Australopithecine genoemd is. Bladen als National Geographic publiceren gedetailleerde studies over hoe de mens evolutionair ontwikkeld is vanuit Lucy’s soort. Slechts weinigen weten dat deze studies zijn gebaseerd op één zeer discutabele vondst die uit zulke losse fragmenten bestond dat men het met een grote speelruimte en fantasie kon reconstrueren! En de lezers slikken het als zoete koek. En dat terwijl er vooraanstaande evolutionisten zijn die Lucy als aapmens verwerpen en erkennen dat zij een uitgestorven apensoort was. Professor Lord Zuckerman zei over de gevonden schedel: ‘Het is overduidelijk waarop de schedel van een Australopithecus lijkt, als die gelegd wordt naast de schedels van mensen en huidige apen. Hij lijkt op een aap – zo sterk dat alleen gedetailleerd en nauwgezet onderzoek enig verschil kan aantonen tussen die twee.’
En Richard Leakey, samen met Johanson de bekendste fossillair antropoloog in de wereld, zei dat Lucy’s schedel zo incompleet is dat het meeste ervan ‘verzinsel is, gemaakt van plastic uit Parijs’! Dezelfde Leakey zei in 1983 dat er geen sterke conclusie getrokken kon worden over tot welke diersoort Lucy behoorde.

Echter, Lucy liep volgens de onderzoekers ten dele rechtop. Dat is de belangrijkste reden dat zij als voorouder van de mens gezien wordt. Echter, dit argument loopt spaak. Tegenwoordig levende boschimpansees besteden namelijk ook een groot deel van hun tijd aan het rechtop lopen. Daar komt nog bij dat we hebben bewijzen hebben dat mensen rechtop liepen vóór Lucy werd gefossilleerd (namelijk vanwege de Kanapoi hominid en de Castenedolo Mens die zijn gevonden in lagen ouder dan die van Lucy).
Bovendien is het niet te bewijzen dat Lucy rechtop liep op basis van het skelet. Professor Coppens, één van de bekendste onderzoekers van Frankrijk, zei na onderzoek dat 
‘Lucy een typische boombewoner was en helemaal niet mooi rechtop liep’. En deze professor Coppens is een van de bekendste onderzoekers van Frankrijk, die constant bezig is botten van Lucy en andere aapmensen te bestuderen! Maar de evolutionistische propaganda blijft dit soort dubieuze skeletten dogmatisch aan het volk leren als zijnde onze verre voorouders. En de naïeve lezers geloven het allemaal!

Kijk en huiver: dit is Lucy (boven). De witte stukken zijn gevonden botfragmenten afkomstig van meerdere gevonden schedels. Het zwarte is de reconstructie die gemaakt is op basis van de botfragmenten. En hoewel vooraanstaande wetenschappers beweren dat Lucy 100% aap was, wordt het volk wijs gemaakt dat zij een verre voorouder van de mens was. De foto onder toont Lucy, maar dan overgoten van een dikke saus evolutionaire fantasie, tijdens een expositie in de Apenheul in Apeldoorn. Oordeel zelf: is dit objectieve, geloofwaardige wetenschap of vooringenomen wetenschap?

Boyce Rensberger schreef in het blad Science (1981): “Jammer genoeg, de grote meerderheid van de reconstructies zijn meer gebaseerd op fantasie dan op bewijs. Slechts een handvol experts in natuurhistorie beginnen met de fossiele beenderen van een aapmens en werken van daaruit… veel van de reconstructie is echter giswerk. Beenderen zeggen niets over de zachte delen van een neus, lip of oren. Artiesten moeten iets creëren wat tussen een aap en een mens in staat; hoe ouder een soort zou moeten zijn, hoe meer aapachtig ze het maken… De harigeid wordt puur geschat. En dit giswerk leidt vaak tot fouten.”

Er is niets nieuws onder de zon. Al sinds evolutionisten op zoek zijn naar aapmensen worden er fantasierijke reconstructies gedaan, totdat het tegenbewijs zich zo massaal opstapelt dat zij wel moeten toegeven dat hun hypothese rond een vondst niet klopte. De onderstaande lijst onderstreept dit, want om de zoveel tijd gaat er weer een aapmens van de onderste tabel naar de bovenste:

Aapmensen waarop de wetenschap later terugkwam:
Homo sapiens neanderthalensis (Neandertaler):
150 jaar geleden werden er op basis van de skeletten van Neanderthalers nog reconstructies gedaan alsof het zwaar behaarde, primitieve aapmensen zouden zijn geweest. Tegenwoordig is er toegegeven dat het postuur van de gevonden skeletten haar grondslag vindt in ziekte (waarschijnlijk rachitis door vitamine-d-gebrek), en dat de Neanderthaler een volkomen ontwikkelde moderne mens was.
Ramapithecus:
Deze vondst werd ooit massaal gezien als de voorouder van de mens. Tegenwoordig is men erachter gekomen dat het een uitgestorven orang-oetan is.
Eoanthropus (Piltdown man):
Nadat deze aapmens 40 jaar lang wereldwijd werd verkondigd, gereconstrueerd en tentoongesteld als aapmens, kwam men erachter dat het een vervalsing was. Het bleek te gaan om een menselijke schedel met een orang-oetankaak. Op dat moment waren er echter al 500 doctorale studies over geschreven.

Hesperopithecus (Nebraska man):
Deze aapmens-reconstructie was gebaseerd op één tand van een varkenssoort die nu enkel nog in Paraguay leeft.

Pithecanthropus:
Werd vroeger als een aapmens bestempeld, maar is tegenwoordig hernoemd tot homo erectus (zie onder).

Australopithecus africanus:
Deze vondst werd ooit gepromoot als de missing link tussen aap en mens. Tegenwoordig erkent men dat hij helemaal niet tussen aap en mens in staat. Het is gewoon een apensoort.

Sinanthropus (Peking man):
Werd ooit aan het publiek gepresenteerd als aapmens, maar is nu hernoemd tot homo erectus (zie onder).

Sahelanthropus tchadensis (Toumai schedel):
Deze in 2002 gevonden schedel werd in de media bestempeld als ‘de meest significante vondst in de geschiedenis’, en als ‘de oudste menselijke voorouder’. Zelfs de ‘human evolution expert’ Dr. Chris Stringer roemde de menselijke trekken van de schedel. Tegenwoordig weet men dat het ging om een gorilla of chimpansee.
Tegenwoordig nog steeds populaire aapmensen:

Australopithecus:
Meerdere soorten van deze zijn van tijd tot tijd naar buiten gebracht als menselijke voorouders. Nog een is daarvan over: Australopithecus afarensis, beter bekend als het fossiel ‘Lucy’. Het zal niet lang meer duren voor ook Lucy naar de bovenste tabel verdwijnt, want de bewijzen zijn overduidelijk. Lucy was een boombewoner, liep niet rechtop als een mens en blijkt in alles een uitgestorven apensoort. Verder hebben ook studies naar de oororganen, schedel en beenderen aangetoond dat Lucy niet op weg was mens te worden. De Australopithecus afarensis lijkt zeer sterk op de pygmee-chimpansee.

Homo habilis:
Er is een groeiende overeenstemming onder de meeste paleo-antropologen dat dit fossiel fragmenten bevat van andere soorten, zoals de Australopithecus (de Lucy-aap!) en de Homo Erectus (wat kleiner ras mens, zie onder). Het fossiel is daarom op zichzelf niet ‘geldig’. De Homo habilis heeft in die zin nooit bestaan.

Homo erectus:
Deze soort is op veel plaatsen op de wereld gevonden. Ze zijn wat kleiner dan de gemiddelde mens tegenwoordig, met name wat betreft de hersengrootte. Toch valt de herseninhoud van de Homo erectus binnen de grenzen van de mens vandaag de dag. Studies aan het gehoororgaan hebben uitgewezen dat de Homo erectus gelijk was aan ons. Er zijn zelfs restanten van de Homo erectus gevonden in dezelfde aardlagen als de Homo sapiens , wat duidelijk maakt dat ze gelijk leefden. Niets voorouder dus, we hebben het over 100% moderne mens met een minimaal raciaal verschil. Tegenwoordig is er grotendeels overeenstemming in de wetenschappelijke wereld dat de Homo Erectus niet als aapmens gezien mag worden, en sommigen vinden dat hij vernoemd moet worden naar Homo Sapiens.

(De bovenste helft van de tabel is overigens incompleet; ik heb de vondsten van aapmensen die het slechts weken of maanden uithielden niet meegerekend.)

Van de 12 skeletten of botfragmenten die de wereld ingingen als aapmens, zijn er 9 volkomen ontkracht en door de wetenschap verworpen. Van de 3 overgebleven aapmensen zijn er 2 die op het punt staan verworpen te worden. Rondom de enige overgebleven vondst die dan nog als aapmens overblijft, stapelen de tegenbewijzen zich op. Prominente wetenschappers hebben al aangetoond dat het eveneens hier niet om een aapmens gaat.

Concluderend kunnen we zeggen dat er geen enkel bewijs is uit de fossielen dat de mens voortkomt uit apen. De missing links zijn nog steeds vermist omdat ze simpelweg niet bestaan. Dat alles wat in de aardlagen gevonden wordt 100% aap óf mens is, toont weer overtuigend aan dat zowel aap als mens aparte scheppingen zijn.

Let op: veel van de aapmensen waarvan wetenschappelijk bewezen is dat ze een misser waren, worden nog altijd getoond in boeken, studies, sites en magazines!

Er is tegenwoordig in de wetenschapswereld grotendeels overeenstemming dat de Homo Erectus geen aapmens was, maar mens. Zijn iets kleinere herseninhoud vallen binnen de grenzen van raciaal verschil. Studies aan het gehoororgaan hebben uitgewezen dat de Homo Erectus volkomen mens was. En er zijn zelfs restanten van de Homo erectus gevonden in dezelfde aardlagen als de Homo sapiens, wat duidelijk maakt dat ze gelijk leefden. Toch wordt de Homo Erectus nog regelmatig afgebeeld (zie afbeelding) dat hij half aap, half mens is. Leve de reconstructie!

Eén ding staat als een paal boven water: de wetenschap heeft niet objectief in de aardlagen gekeken en op basis van wat daar gevonden werd geconcludeerd dat de mens voortkomt uit apen. Het was precies andersom: wetenschappers geloofden bij voorbaat dat Darwins theorie waar was, en zijn 150 jaar lang in de aardlagen gaan zoeken naar de bewijzen daarvan. Iedere zelfrespecterende wetenschapper moet dat toegeven. Want wie van een varkenstand nog een aapmens weet te maken, is niet een objectieve wetenschapper die zijn theorie aanpast op de vondsten. Dat is een subjectieve wetenschapper die de vondsten aanpast aan de theorie. De zoektocht naar aapmensen was een goldrush in de wetenschapswereld, en dat heeft zijn rotte vruchten afgeworpen.

Frank Sherwin (M.A. in zoölogie) bewoorde dit kernachtig in Human Evolution – An Update: “Vanuit de levensvisie van de evolutionistische gemeenschap vraagt men niet óf de evolutie van de mens is gebeurd, maar enkel hóe zo’n proces is gebeurd.” Toch wordt de afkomst van mensen uit apen als een feit onderwezen en zelfs onderbouwd met geslachtslijnen. National Geographic bijvoorbeeld, doet daar hard aan mee. Jammer genoeg weten maar weinig mensen dat één van ‘s werelds belangrijkste paleo-antropologen en archeologen, Mary Leakey, hierover zei in 1996: “Al die geslachtsbomen met hun aftakkingen over onze voorouders, dat is een hele hoop onzin.”

Bijzonder genoeg zijn er steeds vaker wetenschappers die erkennen dat aapmensen (en alle overgangsmodellen) ontbreken, en dat voor geleidelijke evolutie (gradualisme) iedere grond ontbreekt. Zelfs de populaire media pikken dit zo nu en dan op. Onder de titel ‘Is de mens een subtiel ongeluk?’ publiceerde Newsweek de veelzeggende uitspraak (3 november 1980): “De missing link tussen mens en aap, wiens afwezigheid religieuze fundamentalisten heeft ondersteund sinds de dagen van Darwin, is de meest glorieuze binnen de hiërarchie van spookwezens…. Hoe meer wetenschappers gezocht hebben naar de overgangsmodellen die tussen soorten staan, hoe meer gefrustreerd zij zijn geworden.”

FEIT: De fossiele resten die door evolutionisten zijn gepubliceerd als aapmensen, zijn vaak gereconstrueerd op basis van enkel en alleen een beenbot, een heupbeen, een knieschijf, een tand of een mondfragment. Sommigen bleken een vervalsing te zijn, anderen bleken fragmenten van zowel aap- als mensbeenderen te bevatten. Eén aapmens is zelfs gereconstrueerd op basis van de tand van een varken. De skeletten die wel compleet en authentiek waren bleken later 100% aap óf 100% mens te zijn. Van alle aapmensen die ooit geopperd zijn, zijn er nu nog drie over: de Australopithecus Afarensis (is volgens vooraanstaande evolutionisten een boombewonende aap en géén half-mens), de Homo Habilis (is samengesteld uit meerdere soorten en daarom niet geldig) en de Homo Erectus (is nagenoeg identiek aan mensen en moet volgens veel wetenschappers hernoemd worden naar Homo sapiens).

FEIT: De wetenschap heeft niet objectief in de aardlagen gekeken en op basis van wat daar gevonden werd geconcludeerd dat de mens voortkomt uit apen. Het was precies andersom: wetenschappers geloofden bij voorbaat dat Darwins theorie waar was, en zijn 150 jaar lang in de aardlagen gaan zoeken naar de bewijzen daarvan. De zoektocht naar aapmensen was een goldrush in de wetenschapswereld. Iedere zelfrespecterende wetenschapper moet dat toegeven. Want wie van een varkenstand nog een aapmens weet te maken, is niet een objectieve wetenschapper die zijn theorie aanpast op de vondsten.

Bij het onderzoeken van de feiten rondom het fossielenbestand, kunnen we maar één conclusie trekken: er is geen evolutie en er zijn geen overgangsvormen. Francis Hitching, onder andere lid van de Royal Archaeological Institue en de Society for Physical Research, gaf aan dat het fossielenbestand het Darwinisme niet kan ondersteunen. “Er zijn in de musea op aarde ongeveer 250.000 verschillende soorten fossielen van planten en dieren. Dit komt overeen met de 1,5 miljard diersoorten die vandaag de dag op aarde leven. Met de evolutionaire ontwikkeling in het achterhoofd, schat men dat er minstens 100 keer zoveel soorten moeten hebben geleefd dan zijn ontdekt. (…) Maar het opmerkelijke is dat er een constitentie is in de fossiele hiaten: de fossielen missen in alle [voor de ontwikkeling] belangrijke plaatsen. Als je zoekt naar schakels tussen grote groepen dieren: ze zijn er simpelweg niet, of in elk geval, niet in een aantal om hun status boven de twijfel te verheffen. Deze fossielen bestaan helemaal niet, of ze zijn zo zeldzaam dat de eindeloze discussie gaat over een bepaald fossiel wel, niet of mogelijkerwijs een overgangsvorm is tussen twee groepen. Er zouden kasten vol overgangsvormen moeten zijn – om precies te zijn zouden we verwachten dat de fossielen zo in elkaar overlopen dat het moeilijk vast te stellen is waar de ongewervelden stopten en de gewervelden begonnen. Maar dit is niet het geval. In plaats daarvan duiken groepen overduidelijke, makkelijk in te delen vissen in het fossielenbestand op, ogenschijnlijk uit het niets, mysterieus en plotseling, volledig gevormd en op de meest niet-Darwinistische manier. And voor deze vissen waren er ergelijke, onlogische hiaten waar hun voorouders hadden moeten zijn.” (Uit: The Neck of the Giraffe: Darwin, Evolution and the New Biology, p.9,10). Iedere evolutionist die beweert dat de Darwinistische theorie gestaafd wordt met massa’s bewijzen en overgangsmodellen is of ernstig onwetend over de feiten, of hij houdt zichzelf en andere voor de gek.

We hebben nu de vondsten van zogenaamde overgangsmodellen en aapmensen onderzocht en ontdekt hoe evolutionisten al 150 jaar lang fantasierijke en zelfs misleidende reconstructies gemaakt hebben om hun theorie maar te kunnen behouden. Niet voor is van vele van deze reconstructies al bekend dat ze niet klopten, waaronder een groot deel van de aapmensen. We hebben gezien hoe fossielen überhaupt maar 1% van het organisme openbaren, terwijl de vitale 99% (de zachte delen van het organisme) achterwege worden gelaten. Door dit hoofdstuk te verzwijgen, creëren evolutionisten een gigantische speelruimte om hun gelijk te bewijzen. Dit is niets anders dan een gigantische cirkelredenering.

De Amerikaanse geleerden Geisler en Turek stelden deze subjectieve wijze van
reconstrueren vast:

“Aangezien het darwinisme wel waar moet zijn vanwege hun filosofische uitgangspunt, moeten darwinisten wel bewijzen vinden die hun theorie staven. Dus in plaats van toe te geven dat uit fossielen niets over voorouders is af te leiden, nemen darwinisten die ene procent die ze wel kunnen afleiden en gebruiken ze die 99% speelruimte om hun fossielvondsten elk gat te laten vullen dat ze maar willen. Met zoveel speelruimte en zonder feiten die roet in het eten kunnen gooien, hebben darwinisten altijd vrij spel gehad om hele ‘ontbrekende schakels’ te creëren aan de hand van de meest onbenullige fossiele resten, zoals enkel één tand. Dat is ook de reden waarom zoveel zogenaamde ‘ontbrekende schakels’ later ontmaskerd zijn als bedrog of vergissingen .”

Suggestieve rangschikking
We hebben nu van begin tot eind gezien hoe de overgangsmodellen en aapmensen die in de musea prijken falen. Bewijzen ontbreken en reconstructies zijn bewijsbaar voor 99% fantasie. Toch roepen de evolutionisten in de media: “Hoe lang duurt het nog voor de critici en sceptici zien dat evolutie een feit is?”

Mensen, denk eens goed na. Als de evolutietheorie waar zou zijn, zouden we de afgelopen 150 jaar al miljoenen overgangsvormen hebben moeten vinden in de aardlagen. We zouden massa’s vis-reptielen en reptiel-vogels moeten vinden. Evenveel of zelfs meer dan volledig ontwikkelde dieren. We zouden miljarden aapmensen moeten vinden in de aardlagen. Helaas voor de evolutietheorie vindt me n enkel dieren die 100% in te delen zijn in de grondsoorten die we tegenwoordig nog steeds op aarde zien. Variatie komt voor binnen die grondsoorten, maar nooit buiten de grenzen van die grondsoort. Er bevinden zich enorme hiaten tussen de vormen die volgens evolutie uit elkaar zouden moeten voortkomen. Het ontbreken van overgangsvormen is een onvoorstelbaar groot probleem voor evolutie.

Echter, evolutionisten maken vaak gebruik van een systeem dat we het beste suggestieve rangschikking kunnen noemen. Het werkt als volgt: als je geen evolutie in de aardlagen-chronologie signaleert, leg dan de fossielen of vondsten in zo’n volgorde dat het er wel op lijkt. Sommige voorbeelden van dit soort rangschikken hebben we al langs zien komen. Het is werkelijk zo dat evolutionisten regelmatig de fossielen zó presenteren dat de naïeve kijker wel moet geloven in evolutie. Als je de werkelijke vondsten bekijkt, zie je hoe je bedonderd wordt.

Neem nu de evolutie van het paard. Volgens evolutionisten heeft het paard zich in 60 miljoen jaar ontwikkeld vanuit een viertenig paardje tot het moderne, eentenige paard dat we nu kennen. Nu heeft men over heel de wereld meer dan 300 fossiele paardensoorten ontdekt, maar vooral in Noord-Amerika. Sommige gevonden paarden hadden één teen, sommigen twee, sommigen drie en sommigen vier. Er was geen chronologie of orde te bekennen; de fossielen lagen door elkaar en in verschillende gebieden. Men heeft ze echter zo gerangschikt dat het lijkt alsof er evolutie heeft plaatsgevonden!

Deze evolutionaire ontwikkeling is pure fake. Het is misleiding.
Maar dat verzwijgen de schoolboeken.

Dit wordt nog eens onderstreept door het feit dat men in noordoostelijk Oregon de drietenige Neohipparion en de eentenige Pliohippus in dezelfde aardlaag gevonden heeft! Niks evolutie dus, ze leefden – zelfs uitgaande van evolutionaire tijdsindeling – tegelijkertijd! National Geographic Magazine (Januari 1981, p. 74) liet deze fossielen van een eentenig paard en een drietenig paard zien, en gaf daarbij de volgende verklaring: “Complete skeletten van het Pliohippus-paard verifiëren de overgang van de primitieve drietenige soort tot de eentenige soort tien miljoen jaar geleden.” Dit is gigantische misleiding, want deze twee fossielen zijn gevonden op dezelfde plaats, en ze zijn geveld door dezelfde vulkanische eruptie. In werkelijkheid zouden deze ‘wetenschappers’ moeten toegeven dat deze vondst aantoont dat deze paarden tegelijkertijd leefden en dus onmogelijk uit elkaar voort kunnen komen. De evolutie van paarden is door de vondst juist volkomen ontkracht . Maar de lezers kunnen niet anders dan aannemen wat de geleerden hun voorschotelen.

Wat de boeken en bladen eveneens verzwijgen, is dat zelfs vooraanstaande evolutionisten de paarden-hoax erkennen en deze evolutie van paarden verwerpen. De beroemde professor Simpson schreef jaren geleden al: “De bekendste ontwikkeling in de paardenreeks, de ‘geleidelijke reductie van de zijtenen’, is pure fictie.”

DE FEITEN: De wild gepropageerde evolutie van paardenhoeven is een voorbeeld van suggestieve (zelfs misleidende) rangschikking. In werkelijkheid is er geen enkele lijn in de aardlagen wat betreft paardenhoeven. Integendeel. De gevonden verschillende soorten liggen zonder lijn door elkaar in verschillende aardlagen en gebieden. Drietenige en eentenige paardenhoeven zijn zelfs in dezelfde aardlaag gevonden, wat bewijst dat er nadrukkelijk géén lijn in zit.

Een ander voorbeeld van suggestieve rangschikking heeft te maken met de bouw van organismen. Gelijkenis in de bouw van dieren wordt vaak door evolutionisten aangehaald als bewijs voor evolutie. Geneticus prof. Maciej Giertych beschrijft hoe dit geen hout snijdt: “Gelijkenissen worden vaak gebruikt als argumenten voor evolutie. Maar het ontbreken van gelijkenis wordt nooit geaccepteerd als een argument tegen evolutie. De gelijkenis tussen de vorm van mijn hand en die van een kikker is een argument voor gemeenschappelijke afkomst. Het verschil tussen de vorm van mijn hand en die van een paard of vleermuis niet. En toch zouden die laatsten sterker verwant zijn aan mij.”

Prof. Giertych laat hiermee zien hoe suggestief en selectief feiten worden opgesomd om het gelijk van de evolutionist te bewijzen. Want als je het totaalplaatje bekijkt, is evolutie helemaal niet zo aannemelijk. Evolutionisten plaatsen de skeletten van dieren vaak naast elkaar en wijzen op de overeenkomsten in bouw als bewijs van hun gemeenschappelijke afkomst. Hun weergave is echter even misleidend als het voorbeeld van de paardenhoeven. Namelijk, zij laten het paard doorgaans compleet buiten deze opsomming. De bouw van een mens heeft meer weg van die van een kikker dan van een paard, terwijl het paard evenals de mens een zoogdier is en véél dichter bij de mens zou staan in evolutie! Het paard is een aanwijzing dat er creatie is. Er is namelijk één blauwdruk in de schepping, hoewel er geen evolutionaire lijn tussen de dieren is, noch een evolutionaire lijn in de aardlagen.

DE FEITEN: De weergave van de overeenkomst in bouw tussen verschillende dieren is een voorbeeld van suggestieve rangschikking. Het paard valt zo ernstig buiten deze reeks dat de overeenkomsten in bouw eerder wijzen op creatie door één Schepper met een vast systeem, dan op voorouderschap en evolutie.

Een laatste voorbeeld van suggestieve rangschikking heeft te maken met de evolutie van aap tot mens. Mensen worden tegenwoordig met het evolutieverhaal warm gehouden met bekende evolutionaire stokpaardjes, zoals: “Van alle mensapen zijn de chimpansees en de bonobo’s uit Midden-Afrika het nauwst aan de mens verwant. Beide soorten hebben ruim 98% van hun erfelijk materiaal met de mens gemeen!” Deze 98% klinkt ontzettend hoog en spreekt tot de verbeelding. Het verschil tussen mens en chimp zou namelijk slechts 2 procent zijn. Een duidelijk bewijs voor evolutie!

Maar klopt het wel? Nee. De 98% overeenkomst tussen mens en chimp is een resultaat van dataselectie en suggestieve rangschikking. Er zijn méér verschillende elementen tussen mens en chimp die simpelweg niet meegerekend worden.
Namelijk: de mens heeft op zijn minst 36 unieke eiwitcoderende genen. Deze genen zijn niet aanwezig in de chimpansee en laten zien dat de mens uniek is. Nu is er recentelijk een nieuw soort gen ontdekt, namelijk de zogenaamde microRNA-genen. De groep Plasterk heeft hiernaar veel onderzoek gedaan. Reeds in 2006 kwam Nature Genetics met een genoomanalyse (12 dec 2006) die aantoonde dat bijna 10% van deze 244 nieuwe microRNA-genen niet in de chimpansee voorkomen (en bovendien in geen enkel ander organisme dan de mens). Hiermee is aangetoond dat het verschil tussen chimp en mens groter is dan men graag wilde zien, en dat common descent een stuk ongeloofwaardiger is op het niveau van de genetica.

In 2007 bracht Science naar buiten dat wanneer alle mutaties in mens en chimp onderzocht worden, inclusief indelmutaties (en er dus geen data geselecteerd meer wordt) het verschil tussen  mens en chimp 6,4% is. Maar nog steeds was dit niet het hele verhaal, want men keek voor deze berekening nog niet naar de inhoud van de genomen – de specifieke genetische informatie.

Nu heeft men recentelijk ook deze specifieke verschillen onderzocht en meegerekend, en de uitkomst is een doodsteek voor de common descent hypothese. Hahn en medewerkers deden een studie naar de genetische informatie in de Rhesusaap, hond, rat, muis, chimpansee en mens (Hahn MW, et al. Accelerated rate of gene gain and loss in primates. Genetics 2008). Uit dit onderzoek blijkt dat de mens niet 36 unieke genen heeft, maar maar liefst 678! Daar komt nog bij dat de chimpansee 740 genen verloren moet hebben. Het absolute verschil tussen de genetica van de mens en chimpansee komt daarmee op ongeveer 1400 genen. De conclusie is daarmee:

– de homologe sequenties tussen mens en chimp verschillen 6,4%
– de coderende sequenties verschillen 6,4%
– de microRNA-genen verschillen 10%
– daarbij is het deel van beide genomen dat helemaal geen match heeft niet meegerekend (zo’n 10%).

Naar schatting zal het verschil tussen mens en chimpansee na herziening van de data neerkomen op zo’n 20% in totaal, hoewel het vermeld moet worden dat de verschillen niet alleen kwantitatief zijn, maar kwalitatief. De mens heeft een groot aantal totaal unieke, specifiek menselijke genen.

Concluderend kunnen we stellen dat de 2% verschil tussen chimpansee en mens een propagandaverhaaltje is, gebaseerd op dataselectie en manipulatieve weergave van feiten. Ook kunnen we vaststellen dat in darwinistische lectuur en populaire bladen de waarheid rondom de verschillen tussen mens en chimp continu (en nog steeds) foutief worden voorgesteld. Mens en chimpansee hebben geen gemeenschappelijke voorouder gehad – zelfs de evolutietheorie kan zoveel unieke informatie in de mens niet verklaren.

DE FEITEN: Dat wij 98% van onze genen zouden delen met apen, is een onwetenschappelijk propagandaverhaaltje van darwinisten. Het percentage is tot stand gekomen door dataselectie en foutieve weergave van feiten. Ondertussen weet men dat het percentage vele malen hoger ligt, naar schatting op zo’n 80%.

Daarbij is het nog goed om te vermelden dat DNA-overeenkomst niets over afkomst of verwantschap zegt. Overeenkomst in de DNA-coderingen kan ook gezien worden als een bewijs van gemeenschappelijk ontwerp of een gevolg van dezelfde codering. De bredere context van het verhaal wordt uitgelegd door de prominente evolutionist Steve Jones:

“We delen ook zo’n 50% van ons DNA met bananen en dat maakt ons geen halve bananen.” 

Het is een feit dat wij 50% van ons DNA delen met bananen – toch zal niemand beweren dat wij uit een banaan voortkomen. Er zijn daarnaast onderzoeken die aantonen dat wij 90% van ons DNA delen met muizen, wat ook niet aangeeft dat wij uit muizen voortkomen. Volgens evolutionisten zou het wijzen op een gemeenschappelijke voorouder, maar dit verhaal is slechts een hypothese. De grenzen tussen de soorten zijn onoverbrugbaar, en ontkrachten het idee van geleidelijke evolutie.

DE FEITEN: Dat wij een deel van onze genen delen met apen, bewijst niet dat wij uit apen voortkomen. We delen namelijk ook 50% van onze genen met een banaan. Dit is wederom een schoolvoorbeeld van suggestieve, misleidende weergave van feiten. De overeenkomsten in DNA bewijzen niets over voorouderschap. De enorme overbrugbare verschillen tussen de soorten op dna-niveau ontkrachten juist dat er geleidelijke evolutie plaats heeft kunnen vinden. De overeenkomsten die er zijn pleiten juist voor het feit dat er creatie was en er een basisontwerp in de schepping ligt.

Conclusie
We kunnen op basis van de genoemde vondsten concluderen dat er nooit overgangsmodellen zijn gevonden en dat evolutie daardoor niets anders is dan een grote onbewezen hypothese. Daar staat tegenover dat we in de aardlagen altijd, zonder uitzondering, vaste grondsoorten vinden die volkomen ontwikkeld zijn en ook vervolgens niet of nauwelijks veranderen. Tussen de verschillende soorten zijn enorme kloven die onoverbrugbaar zijn, zelfs in (genetische) theorie. We vinden letterlijk geen enkel overgangsmodel terwijl er miljoenen zouden moeten zijn! Dit pleit voor creatie (namelijk schepping van de grondsoorten met mogelijkheid tot variatie) en niet voor evolutie (constante geleidelijke ontwikkeling van simpel tot complex), als is dit vloeken in de darwinistische kerk.

Hoe kan het dat evolutionisten al bijna 150 jaar lang niets dan hiaten aantreffen in de aardlagen? Hoe kan het dat alle soorten plotseling en volkomen ontwikkeld opduiken en niet veranderen? Als aardlagen werkelijk de evolutionaire ontwikkeling zouden weergeven die er zou moeten zijn geweest, hoe is het dan mogelijk dat we niets terugvinden behalve volledig ontwikkelde soorten dieren? Dit komt omdat er nooit evolutie is geweest.

Werkelijke, objectieve wetenschap zou feit van fictie moeten onderscheiden.
Werkelijke wetenschap zou de theorie moeten aanpassen op de vondsten, niet de vondsten op de theorie!

Als er evolutie zou zijn geweest, dan zouden alle diersoorten naadloos in elkaar doorlopen. De ene soort zou beginnen waar de andere gestopt is. Grenzen tussen soorten zouden er bijna niet zijn. En het zou al helemáál onmogelijk zijn dat de grondsoorten in de aardlagen precies gelijk zijn aan die op aarde leven! In werkelijkheid heeft het fossielenbestand enkel sterker benadrukt dat er onoverkomelijke grenzen zijn tussen de geschapen grondsoorten. Alle tienduizenden verschillende dier- en ondersoorten op aarde zijn in te delen in een vaste grondsoort. Van alle duizenden soorten insecten is er zelfs niet één die ook maar een beetje buiten een grondsoort staat. En dat geldt voor nu op aarde zowel als in de aardlagen. De evolutionist Gould zei zelfs dat het feit dat we zowel de levende als de fossiele diersoorten duidelijk en met dezelfde criteria kunnen classificeren, “…prachtig past in de creationistische principes”. (Gould, Stephen, “A Quahog is a Quahog.” Natural History, V. 88, No. 7. 1979, pp. 18-26.) Gould vraagt zich af: “…hoe zou een indeling van de organische wereld in van elkaar gescheiden entiteiten gerechtvaardigd kunnen worden door een evolutietheorie die onophoudelijke verandering verkondigde als het fundamentele feit van de natuur?”

Gould slaat de spijker op de kop – als er een evolutionaire lijn is en een continue verandering , dan is het uberhaupt niet te verklaren hoe er grondsoorten zijn.

Als er creatie is geweest, dan zouden we in de aardlagen en in de natuur enkel volkomen ontwikkelde soorten moeten tegenkomen die nauwelijks veranderen. Als er evolutie is geweest, dan zouden we letterlijk MILJOENEN tussenstadia moeten vinden in de aardlagen, en letterlijk MILJOENEN skeletten van aapmensen in de grond. Welk van de twee theorieën is nou béter op de vondsten gebaseerd?

Evolutie of creatie. Aan jou de keus. Eén ding is zeker: wetenschap moet zich baseren op dat wat vondsten controleerbaar uitwijzen. Niet op theorie. En toch is dat wat nu gebeurt: men baseert zich op theorie. In Creating the Missing Link: A Tale About a Whale zegt Duane Gish, Ph.D.:

“Al sinds Darwin is het fossielenbestand een schaamte voor evolutionisten geweest. De voorspellingen aangaande wat evolutionisten hadden verwacht te vinden in de aardlagen hebben vreselijk gefaald. Niet alleen hebben zij gefaald de vele tienduizenden onbetwistbare overgangsmodellen te vinden die de evolutietheorie vraagt, maar zelfs het aantal betwistbare, of op z’n minst aantoonbare overgangsmodellen die voorgesteld zijn is erg klein. Dit heeft evolutionisten in een zeer moeilijke situatie geplaatst, wat nog beschamender gemaakt wordt door het feit dat het fossielenbestand opmerkelijk in lijn is met de voorspellingen die gebaseerd zijn op speciale creatie.”

De kenners spreken: er is geen evolutie in de aardlagen. De vondsten in de lagen die voorspeld zijn door evolutionisten zijn nooit gevonden. Daarentegen is het fossielenbestand ‘opmerkelijk in lijn met de voorspellingen gebaseerd op speciale creatie’. Deze informatie heeft men misschien goed weten te verbergen in de schoolboeken, het is een feit.

De wetenschappelijke ommekeer: geleerden erkennen de waarheid
Na dit alles gelezen te hebben vraag je je misschien af: hoe reageren evolutionisten nu op al dit tegenbewijs? Wat is hun repliek?

Sommige paleontologen zijn bereid toe te geven dat het er in de 20e eeuw vanuit evolutionistisch perspectief nog slechter uit is gaan zien dan in Darwin’s tijd. Bijvoorbeeld David Raup, een gerespecteerd evolutionist in Field Museum of Natural History Bulletin, v. 50. nr. 1, 1979, p. 22-29: “We zijn nu 120 jaar sinds Darwin,” schrijft Raup, “en de kennis van het fossielenbestand is enorm toegenomen.” Waar velen denken dat met deze kennis ook de bewijzen voor evolutie zijn toegenomen, zegt Raup iets heel anders: “…we hebben zelfs minder voorbeelden van evolutionaire overgangen dan we hadden in Darwin’s tijd. Hiermee bedoel ik dat bepaalde klassieke voorbeelden van darwinistische veranderingen in het fossielenbestand, zoals de evolutie van het paard in Noord-Amerika, verworpen of aangepast moesten worden als gevolg van nieuwe uitgebreidere informatie.”

En Kitts zei zelfs: “Ondanks de schitterende belofte dat paleontologie evolutie zichtbaar zou gaan maken, heeft het een aantal nare moeilijkheden voor evolutionisten gepresenteerd, de meest beruchte is het bestaan van ‘hiaten’ in het fossielenbestand. Evolutie heeft overgangsvormen nodig tussen soorten en paleontologie voorziet daar niet in.”

Meer en meer wetenschappers en belangrijke evolutionisten veranderen hun houding ten opzichte van het fossielenbestand. Ze geven toe dat er onder de fossielen geen overgangsmodellen te vinden zijn en dat er nergens sprake is van geleidelijke veranderingen. Steeds vaker erkennen zij dat de vondsten het gradualisme (geloof in geleidelijke evolutie) en Darwinisme eigenlijk tegenspreken. Een greep uit hun verklaringen:

“Het is significant dat nagenoeg alle evolutionistische verhalen die ik geleerd heb als student, van Trueman’s Ostrea/Gryphea tot Carruther’s Raphrentis delanouei, tegenwoordig zijn ‘ontmaskerd’. Net zo is het zo dat mijn eigen ervaring van meer dat twintig jaar onderzoek naar evolutionaire geslachtslijnen in het Mesozoische Brachiopoda heeft bewezen dat deze geslachtslijnen evenzeer misleidend zijn.”
Prof. Derek Ager van de Universiteit in Swansea (geen creationist), Wales, Proc. Geol. Assoc. Vol. 87, p. 132 (1976)

In zijn artikel in Natural History 86:22 (1977) genaamd The Return of Hopeful Monsters, legt Stephen. J. Gould, de belangrijkste vertegenwoordiger van evolutionisme in de Verenigde Staten, ons het volgde uit: “Het fossielenbestand met zijn abrupte overgangen, biedt geen ondersteuning voor geleidelijke verandering…” en “Alle paleontologen weten dat het fossielenbestand zeer weinig bevat in de lijn van tussenvormen; overgangen tussen grote groepen zijn karakteristiek abrupt.”

In een artikel in Paleobiology , Vol. 3 (1977) door prominente evolutionisten S.J. Gould en Niles Eldredge, doen zij de volgende uitspraak:“Op het hogere niveau van evolutionaire overgang tussen basis morphologische ontwerpen is gradualisme altijd in problemen geweest, hoewel het de ‘officiële’ stelling blijft van de meeste Westerse evolutionisten. Geleidelijke overgangsvormen tussen de ontwerpen zijn bijna onmogelijk om te construëren, zelfs in expirimenten, en er is zeker geen bewijs voor ze in het fossielenbestand (twijfelachtige mozaïeken zoals de Archaeopteryx tellen niet).”

Woodruff noemde in zijn bespreking van het boek Macroevolution door Steven Stanley het volgende (hij citeert waarschijnlijk Stanley): “Maar fossiele diersoorten blijven tijdens het grootste deel van hun geschiedenis onveranderd, en het fossielenbestand faalt erin ook maar één voorbeeld te herbergen van een significantie overgang.” Science 208:716 (1980)

In sommige gevallen pikte zelfs de populaire Amerikaanse pers te tegenbewijzen op. Zo publiceerde Newsweek een artikel genaamd Is Man a Subtle Accident? (3 nov. 1980), met daarin de volgende stelling: “De missing link tussen mens en aap, wiens afwezigheid religieuze fundamentalisten heeft ondersteund sinds de dagen van Darwin, is de meest glorieuze binnen de hiërarchie van spookwezens…. Hoe meer wetenschappers gezocht hebben naar de overgangsmodellen die tussen soorten staan, hoe meer gefrustreerd zij zijn geworden.”

Sommige evolutionisten zijn tot de conclusie gekomen dat het fossielenbestand zo ernstig tegen de evolutietheorie spreekt, dat deze niet meer gebruikt kan worden om evolutie te promoten.
Mark Ridley, een Britse evolutionist, vertelde in New Scientist 90:832 (1981) :
“Geen enkele echte evolutionist, of hij nou een gradualist of punctuationist is, gebruikt het fossielenbestand als bewijs in het voordeel voor de evolutietheorie ten opzichte van speciale creatie.”

De Franse zoologist Pierre Grasse deed in zijn boek Evolution of Living Organisms overigens de stellige uitspraak dat het mechanisme waarmee de evolutie voltrokken is nooit kan worden aangetoond door huidige wezens, door fantasie of door theorieen, maar enkel door het fossielenbestand. Jammer genoeg voor al deze evolutionisten vinden we géén bewijzen in het alle onderzoeken naar ‘huidige wezens’, evenmin in alle theorieen, maar ook niet in het fossielenbestand. Grass doet overigens in het genoemde boek een ferme uitspraak, waar ik het op basis van de genetica volmondig mee eens ben. Volgens Grass kunnen mutaties en natuurlijke selectie onmogelijk voor dat mechanisme van evolutie gezorgd hebben!

De genoemde wetenschapper en evolutionist S.J. Gould (en met hem Niles Eldredge) hebben overigens op basis van het fossielenbestand het neo-Darwinisme verworpen, en dan met name het basisidee van geleidelijke ontwikkeling. Gould heeft zelfs gezegd dat het neo-Darwinisme als basisprincipe dood is, hoewel het nog steeds behoort tot de schoolboeken-orthodoxie!

Gould, die zeker geen creationist is, zei dat het feit dat we zowel de levende als de fossiele diersoorten duidelijk en met dezelfde criteria kunnen classificeren, “…prachtig past in de creationistische principes”. (Gould, Stephen, “A Quahog is a Quahog.” Natural History, V. 88, No. 7. 1979, pp. 18-26.) Gould vraagt zich af: “…hoe zou een indeling van de organische wereld in van elkaar gescheiden entiteiten gerechtvaardigd kunnen worden door een evolutietheorie die onophoudelijke verandering verkondigde als het fundamentele feit van de natuur?” Helaas hangt Gould nog wel het evolutionisme aan, maar hij gelooft dat de evolutie in sprongen moet zijn gegaan, omdat de schakels in de fossielen ontbreken en er enkel hiaten zijn. Hij blijft dus, helaas, bij de onbewezen aanname dat alle diersoorten voortkomen uit één micro-organisme.

Niles Eldredge erkende (in Time frames; Hennemann, London 1981): “Het zijn de paleontologen geweest – mijn eigen soort – die er het meest verantwoordelijk voor zijn geweest dat ideeen de werkelijkheid zijn gaan overheersen. (…) Wij paleontologen hebben gezegd dat de geschiedenis van het leven [namelijk, in het fossielenbestand] steun verleent aan de interpretatie van geleidelijke ontwikkeling door natuurlijke selectie, terwijl we al die tijd wel wisten dat het niet waar was.”
En over de stasis in de aardlagen zei hij: “Dit vernietigde de ruggengraat van het voornaamste argument van de moderne theorie van de evolutie.” (New York Times, 4-11-1980)

Roger Lewin, wanneer hij een nieuw evolutiemechanisme aangedragen door Wiley en Brooks becommentarieerd, zegt: “Natuurlijke selectie, een centraal kenmerk van het neo-Darwinisme (…) kan ervoor zorgen dat soorten overleven. (…) Het kan complexiteit wegnemen en informatieverval vertragen dat in de vorming van nieuwe ondersoorten voorkomt. Het kan een stabiliserende werking hebben, maar het resulteert niet in soortvorming. Het is geen scheppende kracht, zoals velen hebben gesuggereerd.”
Dit is, wat critici en met name creationisten al decennia lang roepen: mutaties en natuurlijke selectie kunnen het DNA door de war schoppen en aantasten, maar kunnen nooit iets nieuws scheppen!

Het is duidelijk dat er tegenwoordig meer en meer topwetenschappers zijn, waaronder paleontologen en biologen, die op het punt gekomen zijn dat zij toegeven dat de overgangsvormen ontbreken. Sommigen verwerpen de evolutietheorie wegens gebrek aan bewijs. Anderen (zoals de genoemde Gould en Eldredge) zijn helaas naarstig op zoek gegaan naar een ander evolutiemechanisme dat deze hiaten toelaat, om in evolutie te kunnen blijven geloven. ‘Sprongsgewijze evolutie’ , bijvoorbeeld. Sommige wetenschappers geloven zelfs dat het leven niet op aarde is ontstaan, maar ergens anders in het universum. Als men evolutie wíl zien, zal men het blijkbaar blijven zien, zelfs als de bewijzen het tegendeel beweren. Dit laat zien dat evolutionisme een dogmatische religie is; verstokte gelovigen onder hen zullen nooit het tegenbewijs aanvaarden.

Ik sluit dit hoofdstuk af met een laatste citaat van de Amerikaanse wetenschapper Henry M. Morris Ph. D.:

“De volledige geschiedenis van evolutie , van de evolutie van het leven vanuit niet-leven tot de evolutie van gewervelden vanuit niet-gewervelden tot de evolutie van de mens vanuit de aap is een treffend ontbreken van tussenvormen: de schakels missen allemaal in het fossielenbestand, net zoals ze missen in de huidige wereld.”
(Uit: The Scientific Case Against Evolution, ICR, USA.)

 

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here