heeft Hij wel bestaan?

0
2199

het meeste over Jezus weten we uit de Bijbel. Maar ook in andere geschriften wordt Jezus genoemd.

FLAVIUS JOSEPHUS

De Jood Flavius Josephus was een van de grootste geschiedschrijvers van zijn tijd. Hij werkte in Rome onder keizer Domitianus. Een van zijn belangrijkste werken is het beroemde Joodse oudheden, dat afgerond was in 93 na Chr.
In boek 18 schreef Josephus, die geen christen was, deze woorden

In deze tijd (de tijd van Pilatus) was er een wijs man die Jezus genoemd werd. Zijn gedrag was goed en hij stond bekend als deugdzaam en veel mensen vanuit het joodse volk en andere volken werden zijn leerlingen. Pilatus veroordeelde hem tot de kruisdood. Maar zij die zijn leerlingen geworden waren, gaven hun discipelschap niet op. Zij vertelden dat hij drie dagen na zijn kruisiging aan hen verschenen was en dat hij leefde;
volgens die visie was hij misschien de Messias aan wie de profeten wonderen hadden toegeschreven.

ook op een andere plek schrijft hij over Jezus. ook wordt Jakobus, de broer van Jezus hier genoemd. Jakobus was gedurende het leven van Jezus uiterst sceptisch over zijn broer maar werd later de leider van de kerk in Jeruzalem. Festus, Albinus en Ananias komen we ook tegen in het bijbelboek Handelingen. Josephus schrijft het volgende

Festus nu was dood en Albinus was nauwelijks onderweg, dus hij (Ananias de hogepriester) riep het Sanhedrin, met de rechters bijeen, en Jakobus, de broer van Jezus, die Christus genoemd werd, en sommige anderen. En toen hij een aanklacht tegen hen als overtreders van de wet had opgesteld, gaf hij hen over om gestenigd te worden.

TACITUS

In de tijd van Jezus was Israël onderdeel van het Romeinse rijk. De Romeinse geschiedschrijver Tacitus schrijft in 115 na Christus het volgende:

En zo liet Nero schuldigen aanwijzen die hij de meest geraffineerde folteringen liet ondergaan. Dit waren de mensen die verfoeid werden om hun wandaden en door het volk ‘christenen’ genoemd werden. De benaming is ontleend aan Christus, die tijdens de regering van Tiberius door een van onze procurators, Pontius Pilatus, met de doodstraf was bestraft. En ook al was dit verderfelijke bijgeloof voor een ogenblik onderdrukt, toch stak het opnieuw de kop op, niet alleen in Judea, bakermat van dit kwaad, maar ook in Rome zelf […]
Men begon alzo met gevangen te nemen degenen die openlijk belijdenis van hun geloof aflegden; vervolgens op hun aanwijzing een zeer groot aantal mensen die schuldig werden verklaard, niet zozeer aan de hun ten laste gelegde brandstichting, dan wel aan haat jegens de mensheid.

Dit is waarschijnlijk de belangrijkste verwijzing naar Jezus, buiten het Nieuwe Testament. In het gedeelte vermeldt Tacitus dat Nero de christenen vervolgde als zondebokken om de verdenking van zichzelf af te leiden voor de grote brand die Rome in 64 na Christus verwoestte. Hij noemt Jezus expliciet en vermeldt dat deze gekruisigd werd onder Pontius Pilatus (dit klopt met de bijbelse gegevens). Ook zegt hij dat ‘dit verderfelijke bijgeloof voor een ogenblik onderdrukt werd, maar dat het later toch weer de kop opstak’ (ook dit klopt met de bijbelse gegevens: na de dood van Jezus was het tijdelijk de kop ingedrukt, maar al vrij snel stak het de kop weer op toen de discipelen gingen verkondigen dat Jezus uit de dood was opgestaan).

Vraag: hoe kun je de snelle verspreiding verklaren van een religie die gebaseerd is op de aanbidding van een man die de smadelijkste dood is gestorven die maar mogelijk is. En die snelle verspreiding vond ook nog plaats in een vijandig gezinde omgeving.

PLINIUS MINOR

Ook een andere Romein, Plinius Minor genaamd, heeft in zijn geschriften naar het christendom verwezen:

Ik heb hun gevraagd of ze christenen zijn, en als ze dit toegeven herhaal ik de vraag een tweede en derde keer, met een waarschuwing voor de straf die hun te wachten staat. als ze volhouden geef ik bevel hen weg te leiden voor de terechtstelling; want wat de aard van hun bekentenis ook is, ik ben ervan overtuigd dat hun koppigheid en onwrikbare halstarrigheid niet ongestraft kan blijven …
zij hebben ook verklaard dat hun hele schuld of overtreding slechts hierin bestond: zij waren regelmatig voor de dageraad op een vaste dag bij elkaar gekomen om afwisselend verzen voor elkaar te zingen, ter ere van Christus als aan een god, en ook zich onder ede aan elkaar te verbinden, niet met enig misdadig doel, maar om zich te onthouden van diefstal, roof en overspel …
Dit deed mij besluiten dat het eens te meer noodzakelijk was door marteling de waarheid uit twee slavinnen te trekken, die zij diaconessen noemden. Ik vond niets behalve een soort gedegenereerd, sektarisch geloof dat tot in het extreme werd doorgevoerd.

Dit gedeelte werd omstreeks 111 na Christus geschreven en getuigt van de snelle verspreiding van het christendom, zowel in de stad als ook op het platteland, onder alle lagen van de bevolking.  Ook wordt er gesproken over de aanbidding van Jezus als God, over het feit dat christenen er hoge ethische normen op nahielden en dat ze niet gemakkelijk van hun geloof af te brengen waren. Tenslotte kun je uit dit gedeelte de enorme snelle groei van het christendom afleiden, ondanks enorme vervolging.

DE TALMOED

De Talmoed is een verzameling uitspraken van Rabbi’s, die als het ware toelichtingen zijn op de Bijbel. De Talmoed stelt zich op als een vijand van Jezus, maar erkent wel zijn bestaan. Het volgende staat er oa te lezen:

Jesu-ha-Notzri (ook wel genoemd Ben Stada, Ben Pantera, Bileam, ‘een zeker iemand’ en diverse scheldnamen) was het buitenechtelijk kind van Mirja, een kapster, en haar minnaar Pantera of Pandira. Mirjams echtegenoot was Pappas ben Jeduhah, ook wel Stada genoemd. In Egypte heeft Jezus magie gestudeerd; hij verleidde het volk door zijn tovenarij en dwaalleer, hij bespotte de wijzen, schond de sabbat en wierp zichzelf op als God.

Voor het gerecht gebracht werd hij schuldig bevonden en hoewel gedurende veertig dagen een heraut rondging om te vragen of iemand iets te zijnen gunste wilde aanvoeren , meldde zich niemand aan. Daarna werd Jezus gestenigd en te Lydda gehangen. Hij was 33 jaren oud, toen Pinehas Listasa hem liet doden en zijn gericht bestond in ‘ziedende modder’, het hellevuur.

Het blijkt duidelijk dat de Joden maar heel weinig sympathie voor Jezus konden opbrengen. Toch staat er in dit gedeelte interessante informatie: allereerst wordt jezus een tovenaar genoemd, dit impliceert dat Hij wel degelijk wonderen heeft gedaan, dat konden zijn tegenstanders niet ontkennen. Alleen gaven zij er een andere draai aan, zij noemden het tovenarij of magie. Ten tweede wordt ook hier gezegd dat Jezus zichzelf opwierp als God, een feit dat ook in de Bijbel steeds weer terugkomt (zie ook de identiteit van Jezus)

WAT LEREN DE BUITENBIJBELSE BRONNEN ONS?

Op grond van bovenstaande gegevens kunnen we overduidelijk de conclusie trekken dat Jezus heeft bestaan. Ook blijken de buitenbijbelse bronnen in grote lijnen goed overeen te stemmen met dat wat we uit de bijbel over Jezus leren.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in